Anodos

Wat geboren wordt om te zijn

MONSTERS

CAUSALITEIT

Wat bestaat? Wat is echt? Het is mijn stelling dat alles wat causaliteit veroorzaakt echt is. Hoewel alle causaliteit invloed heeft op elkaar, hebben oorzaak en gevolg ook een zichzelf voedende werking, waardoor het zichzelf in stand houdt. Daardoor kunnen we causaliteit groeperen in systemen of causaliteitsdimensies. Causaliteit kan echter niet op zichzelf bestaan. Tussen oorzaak en gevolg ligt het medium dat de energie die vastligt in de oorzaak losweekt en kneedt in het heden. Dat medium zijn de levende wezens. Iedere mens is een individueel medium die als een soort van energetische poort functioneert voor de causaliteitsdimensies waarmee ze verbonden zijn of waarmee ze verbinding zoeken.

We zouden kunnen stellen dat de mens aan magie doet door de energie van het verleden los te weken en daar iets mee te kneden in het heden. We ervaren dat echter niet als magie omdat we geboren zijn in een ordelijke wereld waarin al ons magisch handelen vastligt en wij dat dus als de norm ervaren. Geesten daarentegen, daarom zijn ze ook geest, hebben dat vermogen verloren. Zij ervaren wat de mens kan als magie. Sommige geesten kunnen zich daar niet bij neerleggen, zij trachten hun magie te herwinnen en worden klopgeesten.

We kunnen de causaliteitsdimensies onderverdelen in drie spanningsvelden. Het eerste spanningsveld ligt in de causaliteit die al dan niet van invloed is op de fysieke realiteit. Het tweede spanningsveld ligt tussen de causaliteit waar we bewust mee kunnen werken en de causaliteit dat verborgen ligt in ons onderbewustzijn. Het derde spanningsveld ligt in de causaliteitsdimensies die invloed op ons hebben en die buiten ons universum liggen; deze causaliteitsdimensies bestaan wel ergens in het multiversum of bij andere mensen, maar ze vloeien niet of niet meer door ons heen.

Van alle causaliteitsdimensies is de fysieke realiteit, de wereld dus die door ons tot stand komt en waarin wij leven, de belangrijkste. Daarnaast is de communiteitsdimensie ontzettend belangrijk. De causaliteitsdimensies denken en voelen zijn aan beide causaliteitsdimensies ondergeschikt. In ons denken en voelen scheppen we toekomstprojecties, maar het is de causaliteitsdimensie van ons lichaam dat ons denken en voelen nodig heeft om de magie te bedrijven. De reden dat de fysieke realiteit bovenaan de hiërarchie staat is omdat het goede leven zich in die dimensie afspeelt. Alle andere dimensies zijn eraan ondergeschikt, omdat zij enkel hulpmiddelen zijn om het goede leven te bereiken.

Het mag nu duidelijk zijn dat er buiten de causaliteitsdimensies niets anders bestaat dan het medium dat in een staat van zijn of niet-zijn verkeerd. In een medium dat leeft is de poort open; in een dood medium werd de poort gesloten (orde) of werd de poort weggenomen (chaos). Een robot is geen medium, het is een vehikel van een reeks causaliteitsdimensies, dat niet in de vrijheid verkeerd zijn lot in eigen handen te nemen.

SCHEURING

De meeste causaliteitsdimensies zijn functioneel; ze houden ons in onze wereld en we hebben ze nodig om er het goede leven mee te realiseren. Er zijn echter ook parasitaire causaliteitsdimensies die ontwrichtend werken, waardoor ze ons wegleiden van het goede leven, en onze wereld in het verderf storten.

Het goede leven is een leven dat groeit, kracht geeft en beweegt. Daartegenover staat comfort, macht en de dood. Sterven is stagneren en iets dat gestagneerd is degradeert. Wie het goede leven nastreeft schept het leven en houdt de cyclus in beweging. Wie zich laat leiden door de parasitaire causaliteitsdimensies blijft angstvallig vasthouden aan het geschapene en houdt de cyclus tegen. Het verstrijken van de cyclus laat zich echter niet tegenhouden. Hoe groter het voordeel is dat men denkt te halen uit de stagnatie, hoe dieper de put wordt die men voor zichzelf graaft.

Of ze nu functioneel of parasitair zijn, als we niet actief ingrijpen, houden de causaliteitsdimensies zichzelf in stand. We worden zowel met de functionele als parasitaire causaliteitsdimensies geboren. Een deel van deze causaliteitsdimensies activeren we om te overleven in onze wereld, maar een groot deel blijft echter in de duisternis van ons onderbewustzijn leven. Om het goede leven te realiseren moet de mens een versnelling hoger schakelen; waarbij we licht werpen op onze verborgen functionele en parasitaire causaliteitsdimensies en we deze trachten te stimuleren of net te deactiveren. Ingrijpen in onszelf wordt door veel mensen echter als een onlust ervaren en is dus pijnlijk; waardoor zij genoegen nemen met overleven. In hen worden de parasitaire causaliteitsdimensies van generatie op generatie doorgegeven. Door het degraderende effect van stagnatie verdiepen de parasitaire causaliteitsdimensies zich echter, waardoor de duisternis toeneemt, verspreidt en de generaties het steeds moeilijker krijgen om te overleven.

Door het verspreiden van de duisternis gaat uiteindelijk ook de communiteit eronder leiden. Eerst leefden we in een sibbe van zo’n honderd tot tweehonderd familieleden. Men kreeg er een collectieve en daardoor natuurlijke opvoeding. De beschaving, dat het vehikel is van de parasitaire causaliteitsdimensies, brak de sibbe echter op in familie-eenheden. Niet de natuur, maar de ouders moesten nu de opvoeding op hun schouders nemen. Maar zij hebben vaak zelf nog het een en ander te verwerken; waardoor zij hun parasitaire causaliteitsdimensies aan hun kinderen doorgaven en de familieschaduw vorm begon te krijgen: parasitaire systemen die een eigen leven gingen leiden binnen de familiale context. Uiteindelijk zou dit veel families uit elkaar trekken; waardoor de opvoeding werd bepaald door de maten van de maatschappij die de kleuren van de beschaving bepaalden. Daardoor hadden de generaties ook nog eens af te rekenen met een maatschaduw.

RIJZEN

In essentie houden de parasitaire causaliteitsdimensies ons klein, ze ontnemen ons onze kracht om tot bloei te komen. Dat doen ze door voor ons een identiteit te scheppen dat ons weghoudt van onze natuurlijke bewegingsdrang, door deze identiteit te voeden en te beschermen. Doordat we onszelf stagneren houden we de beschaving in stand. De energie die we losweken uit het verleden en die we zouden moeten gebruiken om ons het goede leven te bezorgen, vloeit van ons weg in de beschaving, waardoor we dienaren worden van de beschaving en zijn myrmidonen.

In essentie zijn de parasitaire causaliteitsdimensies vormen van angst. Angst kent drie uitlaatkleppen: bevechten, bevriezen en wegvluchten. Aan deze drie uitlaatkleppen hangt een soort van identiteit vast. Degene die als hoofdreactie bevecht wordt een dwingeland. Degene die wegvlucht wordt een zonderling. Degene die bevriest wordt een meeloper.

Het is de angst dat in het geniep tussen oorzaak en gevolg glipt; waardoor we niet doen wat we verlangen, maar de koers veranderen naar iets dat onze parasitaire causaliteitsdimensie bevestigt. We helen onszelf in de eerste plaats door ervoor te zorgen dat de angst niet meer in het geniep kan te werk gaan. Eenmaal we klaarheid hebben geschapen, door onze angst in een enkel woord te hebben gegoten, is het de techniek om er een authentiek woord of zin tegenover te plaatsen. Het idee is dat het authentieke woord op den duur het identitaire gaat overschrijven. Daarna kunnen we die causaliteitsdimensie terug naar het onderbewustzijn laten zakken. Maar door die techniek toe te passen heb ik daarnaast ook gemerkt dat de angst vaak ontmaskerd wordt als iets belachelijks. Vaak ligt er onder een bepaalde angst echter een fundamentelere angst. Zo gaan we laag per laag af tot de ui helemaal geschild is, we onszelf hebben bevrijd van al onze angsten en er nog alleen functionele causaliteitsdimensies in ons actief zijn. We hebben onszelf geherprogrammeerd en kunnen onszelf nu volledig overgeven aan het scheppingspotentieel dat in ons ligt.

ANGSTPERSONEN

OERMENS

Wat stilstaat kwijnt weg, wat beweegt houdt zichzelf in stand en wat groeit komt tot bloei. Het begin der tijden wordt gekenmerkt door beweging. Het is de natuur die zichzelf in stand houdt. In die wereld beweegt de mens op het ritme van de natuur. Anders dan de dieren die instinctief hun rol in het natuurlijke geheel weten te vervullen, moet de mens dit echter leren. Daarbij zijn we enerzijds afhankelijk van onze leermeesters, anderzijds zijn we afhankelijk van ons eigen leervermogen en van onze overlevingsdrang. Lang is het zo geweest dat alleen de sterkste en verstandigste mensen konden overleven; zo konden we ons handhaven in de natuurlijke wereld. Echter, door de menselijke conditie moet het gif van de zwakke mensen al vanaf het prille begin in onze aderen zijn geslopen. Lang konden de sterke mensen dit naar de marge schuiven, maar het gif of dus het parasitaire wist te overleven in de duisternis, waar het kon groeien tot ook de sterke mensen er door werden geïnfecteerd. Het is dan dat de parasitaire causaliteitsdimensies de wereld van de mensen mee ging vormgeven. We trokken ons angstig terug in onze grotten, bouwden stenen huizen en brachten de natuur door middel van landbouw naar onze dorpen. Zo kwam de beschaving tot stand waarin de parasitaire causaliteitsdimensies konden woekeren en de dorpen zichzelf wisten uit te breiden tot steden; steden werden wereldrijken en zo komen we in de wereld van het heden.

Om het goede leven nog te kunnen vinden in de beschavingswereld kan de mens zich niet meer beperken tot beweging. De beschaving heeft de natuurlijke orde immers ontoegankelijk gemaakt; we kunnen de draad niet zomaar weer oppikken. Doen we vandaag wat de oermens vroeger deed, dan zetten we immers ook de parasitaire causaliteitsdimensies in beweging. Wie vandaag nog het goede leven wilt bereiken zal dus sterker moeten zijn dan de sterkste oermensen. De beschaving dwingt ons daartoe. We werden in feite allemaal in meerdere of mindere mate getraumatiseerd. Anders dan de oermensen moeten we dus leren groeien om te bloeien. In onze beschaving komen daardoor drie mensen naar voren. De sterkste mensen die hun trauma’s weten te helen, waardoor ze hun authentieke zelf tot ontwikkeling kunnen brengen. De voormalige oermensen die weten te overleven door zichzelf te balanceren tussen de functionele en parasitaire causaliteitsdimensies, maar van de wereld geen betere plek maken; zij schuiven hun problemen op naar de volgende generaties. Tenslotte zijn er ook nog de zwakke mensen die wegzinken in de parasitaire causaliteitsdimensies. Anders dan de voormalige oermensen, die vanuit hun eigen pijn andere mensen kwaad berokkenen; is een soort van fatale lust het motief van de zwakkeling om anderen de duivel aan te doen. Omdat zij weten dat ze te zwak zijn om het licht te bereiken, reproduceren ze zichzelf moedwillig vanuit hun persoonlijke hel. Uiteindelijk weten zij zich te organiseren en proberen de wereld naar hun hand te zetten. De voormalige oermensen worden hun nuttige idioten.

De wereld is niet meer te helen, dat was ze eigenlijk nooit. De sterke mensen zorgen er alleen voor dat de ondergang vertraagd wordt. Maar dat is niet het doel op zich. Het doel is dat de sterke mensen voor zichzelf het goede leven weten te leven. Dat daardoor de ondergang vertraagd wordt is eigenlijk bijzaak. Waar de sterke mens wel kan op hopen is om de cyclus te herbeginnen. Voor zichzelf en voor zijn zielsverwanten. Zo komt het animistisch tijdperk tot stand; in duizend en een segmenten, dat dan later consolideert tot een nieuw geheel.

DWINGELAND

De angstpersoon van de dwingeland is er een van bevechten. De dwingeland schept een identiteit rond zichzelf waarmee hij zijn ware aard, het in angst levende zelf, kan ontlopen. Deze identiteit vindt echter niet plaats in de onschuldige wereld van de verbeelding, maar moet constant bevestigd worden door een groep van mensen die hij om zich heen verzamelt en bevecht. Om zichzelf te handhaven op de troon die hij voor zichzelf heeft bevochten wordt hij een dwingeland, die zijn machtspositie en identiteit weet te behouden door een duaal systeem van straf en beloning in het leven te roepen. Daarbij komt er vaak een zondebok bij kijken, die als voorbeeld dient om zijn meelopers in het gareel te houden. De dwingeland behoudt zijn machtspositie door angst te zaaien: als de meelopers niet in het gareel lopen zullen zij hetzelfde lot ondergaan als de zondebok.

De dwingeland handelt puur uit het willen ontlopen van zijn innerlijke pijn. De identiteit waarin hij zich verschuilt is immers iets dat zich vooral in de sociale context afspeelt en is dus extern. Het is iets dat hem voortdurend afleidt van zijn pijn. Van alle fatale reacties op de innerlijke pijn vergt de dwaalweg die de dwingeland inslaat de meeste inspanning, de dwingeland kan immers nooit op de pauzeknop drukken, hij ligt als aan een infuus. Het gevaar bestaat dat de dwingeland begint te genieten van zijn sociale rol die hij speelt in het systeem van straf en beloning. Indien zo wordt het straffen en belonen primair boven het zichzelf opsmukken. Het gaat dan niet meer om het ontlopen van de innerlijke pijn, maar om het invullen van een fatale lust, die men beleeft door andere mensen pijn te doen of te domineren. Op die manier zakt de dwingeland verder weg in zijn persoonlijke hel en trekt de mensen die er ontvankelijk voor zijn met zich mee.

Het systeem van straf en beloning dat de dwingeland schept voor zijn persoonlijk welbevinden kan hem overleven. Andere dwingelanden kunnen zijn systeem overnemen en zo verderzetten in de tijd. Op die manier wordt zijn systeem een gemeenschappelijke causaliteitsdimensie. De beschaving is op die manier verweven met een kluwen van parasitaire causaliteitsdimensies, die een eigen leven beginnen te leiden, steeds grotere proporties aannemen en zich verplaatsen van cultuur naar cultuur. Veel parasitaire causaliteitsdimensies uit de beschaving zijn door hervormingen weliswaar getemperd en moreler gemaakt, maar in haar kern blijft de beschaving angst zaaien. Daarnaast versluieren de moreel gemaakte systemen steeds immorele systemen, die zich weten te handhaven in de krochten van de beschaving. In een doorwinterde beschaving acteren veel dwingelanden als wolven in schaapskleren, zij leren de moreel gemaakte systemen te misbruiken.

We kunnen met een beschuldigende vinger terecht naar de dwingeland wijzen voor veel van onze problemen. Maar daarin helpen we onszelf niet vooruit en bestaat het gevaar dat het een afleiding wordt voor onze eigen pijn. We kunnen als mens echter groter zijn dan onze haat en beseffen dat de dwingeland net doordat hij het meest profijt haalt uit de pijn die hij veroorzaakt ook de minste kans heeft zichzelf te verheffen. De dwingeland is van alle angstpersonen het meest verslaafd aan zijn identiteit. Hij mag dan wel in weelde leven, hij ervaart meer dan wie ook zijn eigen zwakheid.

ZONDERLING

De angstpersoon van de zonderling is er een van wegvluchten. De zonderling trekt zich terug in zijn verbeeldingswereld waar hij naast zijn pijn kan leven. De verbeelding is echter een causaliteitsdimensie dat op zichzelf wel waarde heeft, maar geen of weinig invloed heeft op de fysieke realiteit. De zonderling maakt misbruik van de verbeeldingswereld door erin weg te vluchten; terwijl de verbeeldingswereld eigenlijk dient als schetsboek voor realisaties in de fysieke realiteit. Hij blijft kwetsbaar doordat hij niets reëel opbouwt. Bovendien is hij daardoor ook van weinig nut voor anderen, waardoor hij zich als zonderling sociaal isoleert.

In een primitieve samenleving zou een zonderling niet lang kunnen overleven; hij zou hoogstens alleen van de restjes moeten leven. In de doorwinterde beschaving die wij kennen kan de zonderling echter door de mazen van het net glippen en heel zijn leven teren op de creaties en surplus van anderen. Anders dan de dwingeland schept de zonderling het kwade niet, maar hij knaagt wel aan de wortels van de levensboom, doordat hij niks herstelt wat breekt en geen surplus levert om de natuurlijke tegenspoed mee te balanceren. De zonderling leidt niet het goede leven, maar stelt zich tevreden met de restjes. In het beste geval vlucht hij enkel in zijn eigen verbeeldingswereld of in de verbeeldingswereld van anderen, waar hij niemand rechtstreeks tot last is. Maar hij kan ook vluchten in drugs, polygamie of een intens nachtleven, waarbij hij anderen meetrekt in zijn onproductieve wereldje.

De zonderling is van nature geen eenzaat, hij wilt er best bij horen, maar hij ontbeert de wilskracht en de ervaring om er iets voor te doen. Hij is het publiek die zichzelf op het feestje aandient, terwijl anderen de handen uit de mouwen steken. De zonderling zet zichzelf daarmee in een kwetsbare positie om uitgepikt te worden als zondebok. Onder invloed van de dwingeland kan hij ervan beschuldigd worden niet te voldoen aan de maat die de dwingeland instelt voor de groep. In plaats van de nodige stappen te zetten om zichzelf van zijn zondebok status te ontdoen, zal de zonderling eerder de eenzaamheid opzoeken. Om de frustratie en stress die daarmee gepaard gaat te kunnen verwerken doet hij gewillig de zwarte mantel van de depressie aan die de pijn van de verstoting verdooft. De zonderling kan echter een vertrouwensband met zijn depressies ontwikkelen, waarbij hij zijn depressies begint te verwelkomen bij elke tegenslag die hij ervaart. De depressie kan zo zijn nieuwe toevluchtsoord worden, waardoor deze onlust als een fatale lust wordt ervaren. Zo glijd de zonderling verder weg in zijn parasitaire causaliteitsdimensies. De depressie is als opium, waar hij aan verslaafd wordt, ook al weet hij dat het hem zuur opbreekt. Hij voelt zich er niet beter door, maar wel belangrijker.

MEELOPER

De angstpersoon van de meeloper is er een van bevriezing. Intern bevecht hij de parasitaire causaliteitsdimensies niet, maar voert deze gewoonweg uit, waarbij hij zo weinig mogelijk vragen stelt rond zichzelf. Door gedwee te volgen ontloopt hij zijn pijn, vragen stellen en inzicht verwerven is iets wat hij koste wat kost vermijdt. Extern wordt de meeloper conformistisch wat de maatschappelijke tendensen betreft en in groepsverband laat hij zich graag leiden. Hij kiest daarbij de leider of de tendens die de meeste andere mensen lijken te volgen, zodat zijn hoofd niet boven het maaiveld uitsteekt en hij zich zo veilig mogelijk kan voelen. Sommige meelopers houden van regeltjes, anderen zijn net bang de regeltjes niet te volgen. De regels bekritiseren is alleszins geen optie. In tegendeel; hoe absurder de regeltjes worden of hoe sneller ze veranderen hoe beter de meeloper zijn drang tot conformisme kan uitdrukken en hoe verder hij van de eigen pijn af komt te staan.

In de meeloper herbergt zich de kracht van de massa. Is de samenleving in evenwicht dan hebben de meelopers als collectief een balancerende werking. Maar geraakt de samenleving uit balans dan maken de meelopers het slechter. Daardoor is de meeloper het gedroomde middel van de dwingeland in de systemen die hij opzet. Als de dwingeland het strategisch speelt door in te spelen op de psyche van de meeloper, bijvoorbeeld door hem te straffen en te belonen en hem angst aan te jagen, dan kan hij hem heel ver voeren op zijn negatieve pad. Maar niet oneindig ver; andere dwingelanden liggen immers steeds op de loer om de meeloper tot hun systemen te verleiden door hen iets beters te beloven.

Ook de meeloper stelt zich eigenlijk tevreden met minder. Diep van binnen weet hij dat hij meer in zijn mars heeft, maar hij overtuigt er zich steeds van dat het niet de moeite gaat lonen op die gedachte verder te bouwen. Hij tracht daarbij zoveel mogelijk medemensen aan te zetten tot inschikkelijkheid, door hun potentieel te smoren met zijn angsten. Dat straatje is echter het begin van een negatief pad. Aan het einde van dat straatje gaat de inschikkelijke genoegdoening scheppen in het naar beneden halen of belachelijk maken van zij die het verder dan hem hebben geschopt. Hij zal met een soort van wraaklust kijken naar het mislukken of ten val komen van anderen. In plaats van hen te helpen of te troosten zal hij nog eens flink natrappen. Smalend kijkt hij hoe Icarus uit de lucht valt. Zo gaat hij om met zijn eigen tekortkomingen.

ICARUS

De toegang tot de transformatie is niet bij iedereen gelijk. Sommige mensen zijn immers meer getraumatiseerd dan anderen. Degenen die het minst getraumatiseerd zijn zullen sneller en gemakkelijker de stap naar het licht kunnen zetten. Maar net als bij de oermens, die zich in de natuurlijke balans beweegt, zal de de bloei van de minst getraumatiseerde ook het minst uitgesproken zijn. De transformatie van de meest getraumatiseerde tot het licht zal moeizamer zijn, maar wanneer zo iemand zijn duisternis in licht weet om te zetten zal zijn licht veel sterker schijnen. Beiden kunnen echter evenredig in de duisternis blijven hangen. De meest getraumatiseerde doordat hij erdoor verzwolgen wordt; de minst getraumatiseerde doordat hij het te comfortabel heeft in de duisternis en daardoor niet gemotiveerd wordt er iets aan te doen.

WALKUREN

TRANSFORMATIE

Walkuren zijn in de Germaanse mythologie goddelijke vrouwen die de op het slagveld gestorven dappere mannen meenemen naar het rijk van de goden. De andere mannen gaan naar de onderwereld. Voor mij duid dit een overgangsrite aan. De mannen die zichzelf hebben gegeven door hun duisternis in licht om te zetten verheffen zichzelf naar een domein waar ze zichzelf verder kunnen ontplooien. De mannen die in hun duisternis blijven hangen blijven achter in een domein waar alles hen door de vingers glipt; alleen zonder vrouw.

Het natuurlijke verschil tussen mannen en vrouwen komt in het verhaal van de Walkuren aan het licht. Mannen moeten in hun leven een transformatieproces ondergaan dat hen van de duisternis naar het licht leidt. Het is een lange weg vol obstakels. In dat proces wordt de man geestelijk volwassen en in zijn worden draagt hij de gemeenschap op zijn schouders. Een goede vrouw leert een man die erin slaagt zich naar het licht te keren te onderscheiden van een man die blijft hangen in de duisternis. Als een Walkure kiest een goede vrouw zo’n man als partner om mee te leven.

De man is in dat proces de actieve speler, die zichzelf moet bewijzen tegenover de vrouw. De vrouw is eerder de passieve kracht, die als rechter de man beloont door zichzelf aan hem te geven of de man veroordeelt door hem af te wijzen. Het trouwen met een vrouw is voor de man de drempel van de duisternis naar het licht of van zijn kathodos naar zijn anodos. Het is de bevestiging van hetgeen hij doet en hoe hij in de wereld staat het juiste is. De man is daardoor degene die zich presenteert aan de vrouw.

Er is echter ook een duistere vrouw. Deze vrouw perverteert de rol die ze heeft. Maar anders dan bij de man, die actief een pad naar het licht bewandelt waarin hij zich stelselmatig ontwikkelt tot de grotere mens die hij kan worden, is het bij de vrouw veel meer een keuze in welke positie ze staat, dan dat het een groeiproces is. Als passieve speler staat de vrouw veel meer in het zijn. Dat maakt het daarom niet gemakkelijker voor de vrouw. Eenmaal een man in het licht staat zal hij in het licht blijven staan, hij is immers het licht geworden. Maar de vrouw wordt niet, ze is. Een goede vrouw kan daardoor steeds verleid worden tot de vrouwelijke variant van het duistere. Alleen haar rechtschapenheid en karakter houdt haar in de juiste positie. Het is daardoor dat de vrouw in de middenpositie staat tussen de duistere en lichte regionen van de man.

De vrouw kent drie posities, zij gaat naar een hogere positie als zij de taak die verbonden is aan die positie heeft volbracht. Deze taak staat telkenmale in relatie tot de man. Elke van deze drie posities heeft een donkere kant, waarin de vrouw kan wegglijden naar het kwade. Net zoals bij de man mond het kwade uit in een fatale lust.

MAAGD

De maagd is de eerste vrouwelijke positie. De taak die gekoppeld is aan deze positie is om een waardige man te selecteren waarvan de maagd met zekerheid kan zeggen dat hij zich naar het licht aan het ontwikkelen is. De mannen die reeds in het licht leven zijn in normale omstandigheden reeds uitgekozen door een vrouw. De maagd kan dus niet eeuwig wachten op het ontwikkelen van een man. Een maagd die te lang wacht zal haar man verliezen aan een andere maagd, die misschien minder hoge eisen stelt of net meer inzicht heeft in het ontwikkelingsproces van mannen.

Een maagd maakt zichzelf zo mooi mogelijk. Zo kan zij uit een grotere groep mannen kiezen, die zichzelf aan haar presenteren en dus de beste man selecteren. Haar schoonheid symboliseert het goede. Als schone vrouw toont ze dat ze een goede partner voor de man zal zijn door weg te blijven van het kwade dat bij haar positie hoort.

Tegenover de maagd staat de slons. Het is een vrouw die op een fatale manier haar schoonheid verwaarloost. Zij stelt lagere eisen aan zichzelf, waardoor ze ook lagere eisen stelt aan de man en haar taak als maagd verwaarloost. Vaak heeft zij verkering met meerdere mannen, waarbij de slons zich aan minderwaardige mannen geeft die eigenlijk nog geen vrouw verdienen. Het fatale aspect van haar gedrag is dat de minderwaardige man daardoor een schaduw van zichzelf kan blijven; waarvoor zou hij zich anders met zijn eigen pijn confronteren als hij ook beloond wordt in zijn pijn? In eerste instantie lijkt de slons veel succes te kennen, door voor de ogen van de maagd hun mannen weg te rukken, ze streelt daarbij haar persoonlijkheid. De slons zal voor de mannen waarmee zij verkering heeft echter nooit de kers op de taart zijn, waardoor de relaties vaak kortstondig zijn. Op lange termijn komt zij dus alleen te staan of moet zij zich tevreden stellen met mannen die door omstandigheden bereidt zijn zichzelf met haar op een lagere maatschappelijke positie te vestigen.

MOEDER

Eenmaal een maagd voor zichzelf een waardige man heeft gekozen kan zij opklimmen naar de hogere positie van de moeder. Een moeder is een vrouw die geeft. Dat geven kan in de vorm zijn van kinderen verwekken, maar het kan ook in de vorm zijn van zorg dragen voor anderen als een tante. Een moeder is een verzorgster en een onderwijzeres. Zij geeft kennis door. Zij ondersteunt passief de activiteiten van haar man en haar kinderen door hen een warm nest te geven waarin zij gezond blijven en terug op kracht kunnen komen. Zij verpleegt en is medicijnvrouw.

De fatale kant van de moeder is de kwaadsprekende roddelaarster. Zij doet daarmee het omgekeerde van zorg dragen. Als kwaadspreekster berokkent zij de gemeenschap schade. Een vrouw die te veel slons is geweest zal uiteindelijk een lage positie in de gemeenschap bekleden. Om die lagere positie te compenseren kan de voormalige slons beginnen kwaadspreken over anderen, op die manier verkrijgt ze macht, die haar wederom niet toekomt. Een tot inkeer gekomen slons kan echter ook vrede nemen met haar leven zoals het is en een goede moeder of tante worden. Omgekeerd kan een moeder altijd in de verleiding komen om kwaad te spreken.

VROUWE

Een vrouw kan uiteindelijk tot haar hoogste positie klimmen; dat van de vrouwe, een vrouw die voornaam is geworden. Een vrouw kan groeien in haar moeder zijn. Ze kan een zelfzekere zorgverlener worden door te doen wat een moeder doet. De taak die bij een vrouwe hoort is het bewaken van de zeden in de gemeenschap. Zij is degene die de meisjes aanzet om Walkure te zijn en jongens aanzet om zichzelf op het slagveld te geven. Zij is degene die de toekomst in handen heeft. Zij is degene die de positie van mannen en vrouwen maakt of kraakt, door achter goede moeders te staan en kwaadspreeksters op hun plaats te zetten.

De duistere kant van de vrouwe is de heks. De heks is de vrouw die misbruik maakt van het aanzien dat oudere vrouwen hebben. Zij is echter ook de roddelaarster die het kwaadspreken niet kon verleren en daardoor is verstoten uit de gemeenschap. De heks spreekt vloeken uit. Het gaat haar niet meer om de macht, die de roddelaarster verkrijgt door anderen te krenken. Het gaat haar om wraakzucht en om het krenken zelf, waarbij het berokkenen van schade een fatale lust opwekt in de heks.

VROUW EN MAN

In dit essay neem ik een heel traditionele positie in wat het verschil tussen man en vrouw betreft. Ik neem deze positie in omdat het past in de primordiale tijd dat we tegemoet gaan, maar ook omdat ik denk dat een traditioneel samenlevingsmodel vandaag de dag voor veel mensen heilzaam zou zijn. Dierlijke instincten nemen bij heel wat mensen immers de overhand in onze decadente utopische dystopie. Het zou de mens terug dichter bij de natuur brengen, waardoor de samenleving terug vruchtbaar kan worden. Langs de andere kant besef ik uiteraard dat het verschil tussen man en vrouw, wat hun rol in de samenleving betreft, zich op een glijdende schaal bevindt. Uiteraard moet een vrouw ook streven naar meesterschap in hetgeen ze doet en moet een man zich ook gedragen als een maagd in de selectie van een vrouw. Alle rollen beschreven in dit essay zijn van toepassing op beide seksen.

ANODOS

MEESTER

Het meesterschap is het resultaat waar het groeien en het uiteindelijke transformatieproces toe leidt. Alleen zo bereikt men het licht. Een meester is iemand die het ware weet te scheppen. De titel van het meesterschap wordt wel degelijk aan de hand van een meesterproef behaalt, maar deze meesterproef is een eindresultaat van een lang traject van waarzeggen en scheppen, dat doorheen het traject meer en meer wordt aangescherpt, tot men komt tot het ware dat het eigene overstijgt. Daar draait het uiteindelijk om; de meester is iemand die in staat is meerwaarde te scheppen. Alleen iets dat ten dienste van de gemeenschap staat biedt meerwaarde en alleen het ware staat ten dienste van de gemeenschap.

Waarzeggen of de waarheid zeggen is weten dat men vanuit waarachtigheid spreekt en handelt. Waarachtigheid is eigenlijk een staat van vrijheid. Vrij zijn is onszelf realiseren zonder dat het wordt geperverteerd door de parasitaire causaliteitsdimensies. Vrij zijn is op zo’n manier handelen dat onze energie niet vloeit naar een andere entiteit dan onszelf. Alleen wanneer onze energie niet ten koste gaat van onszelf kunnen we groeien; alleen in zelfrealisatie kunnen we dienen. Het is daarom dat de nadruk in dit werkstuk in de eerste hoofdstukken zo veel op de parasitaire causaliteitsdimensies ligt. Door de familieschaduw en de maatschaduw wordt onze energie afgetapt. Wie zich laat meeslepen door de parasitaire causaliteitsdimensies geeft zijn energie weg aan de systemen van de beschaving en aan zij die er misbruik van maken. Zolang de parasitaire causaliteitsdimensies achter de schouders mee gluurt kan men nooit iets waar scheppen, want het ware is zuiver. Daarom kan de meesterproef pas op het einde van een traject van scheppen en waarzeggen afgelegd worden, omdat men door vallen en opstaan dat zuiveringsproces ondergaat. Het is in het realiseren van dat proces dat de maagd de man beoordeelt. Een man die waarzegt en in vrijheid tracht te scheppen is een man die zich van zijn angsten ontdoet.

Het vallen en opstaan en het zuiveringsproces moet in een beroep tot stand komen om dienstig te kunnen zijn. Deze beroepen vallen onder te verdelen in drie functies die men in de gemeenschap kan vervullen: de verkenner, maker en leider. Daarbij is de zonderling het meest geschikt om verkenner te worden, de meeloper verhoudt zich tot de maker en de dwingeland tot de leider.

Bij een kudde koeien die in een wei staan te grazen is er altijd een koe die het voortouw neemt om een ander stuk van de wei te gaan begrazen, schaduw op te zoeken, te gaan drinken of de dagelijkse wandeling rond de wei aan te vatten. Dit is niet de leider van de kudde, maar een koe die vaak nieuwsgieriger is dan de anderen. Bedaard en voorzichtig volgt een tweede koe, eer de ganse kudde langzaam op gang komt. Ook bij mensen zijn er zo’n verkenners, maar dan niet in de weide, maar in de tijd. De levende tijd zit in de frictie tussen oorzaak en gevolg of dus tussen het geschapene en het scheppen. Staat de mens te lang stil bij het geschapene dan stagneert de gemeenschap, de weide wordt dan leeggegeten, de stagnerende situatie zorgt ervoor dat bepaalde mensen te veel macht en middelen naar zich toe kunnen trekken. Het is aan de verkenner om antwoorden te vinden op de vragen en problemen die zich aandienen in het heden en deze antwoorden voor te leggen aan de gemeenschap. De frisse ideeën die resoneren met de gemeenschap zagen de poten onder de stoel van de machthebbers weg, waardoor de gemeenschap met de zittende of nieuwe leiders een nieuwe consensus tot stand kan brengen. De koeien kunnen dan een nieuwe weide begrazen, terwijl het oude stuk grasland de kans krijgt te recupereren. De zonderling is de nieuwsgierige dromer die in zijn verbeeldingswereld wegvlucht. Eenmaal hij zijn angsten weet te trotseren boort hij zijn nieuwsgierigheid pas echt aan, want wat is nieuwsgierigheid anders dan de omkering van verbeelding? De zonderling, nu als verkenner, is de persoon die de vinger op de gemeenschappelijke wonde kan leggen. Nadenkend over deze wonde leidt zijn nieuwsgierigheid hem in de duisternis van de zich niet gemanifesteerde mogelijkheden, in de potentiële toekomst, waar hij antwoorden tracht te vinden om de gemeenschap uit de stagnatie te bevrijden. De meerwaarden die hij schept zijn de vruchtbare antwoorden die hij tot stand weet te brengen. Alleen antwoorden die resoneren met de gemeenschap zijn echter werkelijk vruchtbaar. Het helpt als de verkenner de daad bij het woord voegt: de verkennende koe loopt ook zelf naar de andere weide alvorens de kudde volgt. Echte kunstenaars, echte geleerden en echte filosofen zijn in onze tijd de verkenners. In een natuurlijke gemeenschap zal de verkenner erkent worden voor zijn rol, in een opkomende beschaving worden verkenners echter verketterd en in een doorwinterde beschaving worden ze overschaduwd door paaiende pseudoverkenners.

De meeste koeien volgen de kudde, waarbij ze de kudde vormen en beschermen. Zo ook bij mensen waarbij het hoofdbestanddeel zich inspant voor ons welzijn en voortbestaan. Dat doet de mens door dingen te maken en deze dingen te verzorgen of te herstellen. De meestermaker zal de wereld echter altijd beter achterlaten, door altijd meer te geven dan hij ervoor terugkrijgt. Op die manier biedt hij tegengewicht aan het verval. De verkenner komt met nieuwe ideeën, de meestermaker concretiseert deze ideeën en perfectioneert ze. Hij geeft daardoor mee vorm aan de toekomst, waardoor hij zich onderscheidt van de meeloper, die zijn diensten enkel aanbiedt aan de gevestigde orde. Daarnaast zal de meeloper uit angst voor de dwingeland ook niet durven te excelleren. De meestermaker kent deze angst niet. Wanneer dat nodig is voor de gemeenschap durft hij wel zijn hoofd boven het maaiveld uit te steken.

Tenslotte is er bij koeien ook steeds een leidster en dat is vaak de oma koe, die als matriarch de kudde rond zich verzamelt en er de sociale hiërarchie bewaakt. En dat is ook een beetje de rol bij een mensenleider. Maar bij mensen is de leider eerder iemand die goed luistert naar de noden van de gemeenschap en naar de ideeën van de verkenners. Hij is diegene die een consensus binnen de groep tot stand brengt door de knopen door te hakken. Hij doet dat vanuit een expertise van informatie vergaren, waarin hij oog heeft voor ieders grenzen, maar die grenzen ook aftast, waarbij de groep steeds op scherp blijft staan en wel vaart in de tijd. Daar tegenover staat een dwingeland, die zelf verkenner denkt te kunnen spelen, waarbij hij zonder rekening te houden met de grenzen en verzuchtingen van de gemeenschap een eigen koers gaat varen; een koers dat de gemeenschap op lange termijn achteruit stelt. Potentieel is de dwingeland wel een goede leider, omdat ook hij luistert naar de meelopers in zijn groep, maar hij misbruikt hetgeen wat hij hoort door in te spelen op hun angsten. Ik denk dat de dwingeland wel tot inkeer kan komen; zichzelf constant opblazen is immers een bleek bestaan en de dwingeland voelt die leegte ook. Een verkenner die hem de juiste weg wijst kan een enorme impact op hem hebben. Helaas is het in onze verwarde samenleving vol met pseudoverkenners moeilijk om de bomen nog door het bos te zien; waardoor dwingelanden blijven doen wat ze doen bij gebrek aan een alternatief, ook al weten ze diep van binnen dat het anders moet. Gelukkig zijn er daarnaast ook nog alternatieve erudiete leiders die wel nog op zoek gaan naar wijsheden, oud en nieuw, mensen een lichtpunt gevend in deze tijden. Want dat is wat een meesterleider is: een licht in de duisternis waar mensen geborgenheid vinden bij elkaar; met de nadruk op bij elkaar, niet bij de leider. De meester leider is van alle meesters degene die het meest zijn energie steekt in zijn naasten en het minst in zichzelf, eenmaal hij meester is. Ook dat is iets wat hij met de dwingeland deelt, maar dan op een positieve en dienende manier. De meesterleider schept een gemeenschap.

De verkenner is vooral met het onwerkelijke bezig: de tijd, zichzelf, de toekomst, het verleden, hiërarchieën en culturele structuren. De maker met de fysieke realiteit. De leider met de communale causaliteitsdimensie. De parasitaire causaliteitsdimensies en de specifieke transformatie die bij ieder mens een beetje anders is geeft kleur aan het karakter van de meester. Ook al bestaat het meesterschap uit dezelfde facetten, iedere meester is daardoor uniek, iedere meester heeft een uniek traject afgelegd naar zijn meesterschap. Deze kleur gaat echter ook gepaard met de littekens van de parasitaire causaliteitsdimensies die hij heeft doorworstelt. Een voormalige zonderling kan bijvoorbeeld alleen in afzondering echt goed nadenken; maar nu wordt zijn afzondering gebruikt voor positieve doeleinden, niet om weg te vluchten. Een meestermaker zal altijd een zwak hebben voor charismatische figuren en een dienend leider zal zichzelf nog altijd een beetje in de belangstelling willen zetten.

TOVENAAR

De tovenaar is de uitvoerende meester. De tovenaar deelt zijn gespecialiseerde waarheid met andere mensen. Terwijl de meester zich nog kan permitteren te zwijgen in zijn betrachting zichzelf te verbeteren, moet de tovenaar spreken om te kunnen delen. Eem meester wordt tovenaar wanneer hij de zuivere magie laat vloeien, wanneer hij doener wordt. Eenmaal de meestergraad is bereikt is het de taak van de meester om te geven; de tovenaar is degene die geeft en de wereld daardoor beter achterlaat dan hij ze heeft aangetroffen. De meester weet dat hij tovenaar is geworden wanneer mensen om hem heen vanuit hun eigen meesterschap hem die erkenning geven, want alleen in zijn dienstbaarheid verdient hij die titel. In het versterken van de functionele causaliteitsdimensies is hij het lichtend voorbeeld van de gemeenschap. Als tovenaar wordt hij een oudere die de jeugd de weg wijst.

Erkenning is natuurlijk niet hetzelfde als succes. De waarheid van de tovenaar kan weleens botsen met een gemeenschap die utopisch is geworden. Tegen dat de tovenaar pas erkenning krijgt moet de utopie soms ten val komen of de tijd cruciaal veranderen. Zolang de utopie zichzelf overeind kan houden zijn het vooral de pseudomeesters die het gras voor de voeten van de tovenaar weg weten te maaien. Maar met het succes van de pseudomeesters komt de utopie ten val.

WISSELAAR

De tovenaar heeft zijn positieve stempel gedrukt op de wereld en in zijn gemeenschap. Zijn hele transformatieproces is daarmee tot uitvoering gebracht. Hij is de persoon geworden tot wie hij is getransformeerd. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid daarin gedragen. Hij heeft werkelijk geleefd.

Zoals de oermens is de mens in het begin van zijn leven een wezen dat beweegt. Om ons te ontdoen van de parasitaire causaliteitsdimensies moeten we echter meer doen dan bewegen; we moeten ook groeien. We moeten onze instincten laten ontwaken door ze in het bewustzijn te brengen; in het licht kunnen we er ons licht op laten schijnen. We moeten met andere woorden meer mens worden. De tovenaar heeft dat mens worden volbracht. Aan het einde van zijn leven is het echter tijd om weer meer dier te worden. Net zoals we een angstige gedachte die overschreven wordt door een authentieke gedachte terug naar het onderbewustzijn laten zakken kan de tovenaar die zichzelf bewaarheid van zijn bewustzijn terug zijn instinct maken. De tovenaar blijft zichzelf, hij stopt dus niet met toveren, maar heeft vertrouwen genoeg in zichzelf dat hij het aan zijn instincten kan overlaten.

Zo wordt een tovenaar een wisselaar. Hij heeft immers het zelf waarmee hij geboren is omgewisseld tot het hoogste zelf dat hij kon worden. Het instinctief wezen waarin hij geboren is was gecorrumpeerd, het instinctief wezen dat hij heeft geschapen is gezuiverd. De wisselaar laat eigenlijk los, hij accepteert. Hij neemt nu pas echt vrede met de persoon die hij is geworden. Als wisselaar staat hij ook veel steviger in zijn schoenen. Zolang het toveren bewust gebeurt is het immers nog ontvankelijk voor parasitaire causaliteitsdimensies, die weliswaar mislukken in hun poging de tovenaar negatief te beïnvloeden, maar die de tovenaar wel energie kosten om bewust buiten te houden. Eenmaal het toveren instinctief gebeurd bestaan de parasitaire causaliteitsdimensies voor hem simpelweg niet meer. Deze zijn dan in een ander universum. De wisselaar leeft zonder meer. Zijn ziel is volledig tot rust gekomen. In zijn teruggekeerde natuurlijkheid is hij een met de natuur.