Eeuwige Bevrijding

Cultuurcycloop

CULTUURCYCLUS

Iedere dorp heeft in principe een zichzelf onderscheidende heimat met authentieke culturele elementen. Uit iedere dorp kan in principe een lentecultuur ontstaan. Maar het is pas als verschillende lenteculturen samentrekken tot een regionaal geheel met een wervend karakter dat een zomercultuur ontstaat. Voor mij begint een cultuur pas echt op het einde van het lenteseizoen, maar alleen een cultuur die het winterseizoen bereikt maakt de gehele cultuurcyclus door. Sommige culturen lopen echter vast in het eerste of tweede seizoen; deze culturen staan in onze tijd bekend als primitief of archaïsch. Primitieve culturen worden vaak verdrongen of voor een tijd opgenomen door culturen die de latere seizoenen doormaken. Culturen die de ganse cultuurcyclus doorlopen worden wedergeboren. Zij herbeginnen van voor af aan met een set van andere normen en waarden; die weliswaar gekleurd zal worden door de teloorgegane cultuur, maar er altijd van zal afwijken.

AVONDLAND

Op het Europese continent hebben we sinds de ijstijd vier culturen gekend die de volledige cultuurcyclus hebben doorlopen. Er was de Aurignacische cultuur dat ruim voor het einde van de ijstijd heeft bestaan alvorens haar meest westelijke tak expandeerde langs het terugtrekkende ijs naar de Noord-Europese vlakten. De nakomelingen van de Iberische Aurignaciërs werden de eerste Noord-Europeanen. Het waren jagersverzamelaars met een donkere huidskleur en blauwe ogen. Hun artefacten vonden we op Doggerland en in de grotten van de Cro-magnonmensen. De oostelijke Aurignaciërs schiepen vervolgens de tweede cultuur op de Pontische steppe met in het noorden de Touwbekercultuur en nabij de Zwarte Zee de Jamnacultuur. Over land koloniseerden de Touwbekercultuur als eerste Oost-Europa. De Jamnacultuur restte West-Europa, die ze via haar kusten en rivieren koloniseerden. Zij culmineerden bij de Rijndelta vanwaar zij hun cultuur en DNA verspreidde over West-Europa. In de landen rondom de Rijn zou de Jamnacultuur vervolgens geboorte geven aan de Keltische en Germaanse cultuur. Maar voor de Kelten en Germanen de Jamnacultuur laten wedergeboren worden in de huidige Westerse cultuur, soms gaat een cultuur voor een onbepaalde tijd in de ijskast, moeten zij de uit de zuidelijke Aurignacische ontstane Grieks-Romeinse cultuur ondergaan. Contrair tot de andere culturen hadden de Grieks-Romeinse veroveringstochten alleen een cultureel en politiek karakter, waardoor de Westerse cultuur ondanks het bloedvergieten hun Iberische en Pontische voorouders behielden. Maar oorspronkelijk komen we allen van de Aurignaciërs, we zijn alleen vertakt in licht verschillende culturen en in genetisch licht verschillende bloedlijnen.

BESCHAVING

De beschaving als zijnde de technologische vooruitgang is een andere cyclus dan die van de cultuur. Het is een grotere cyclus. Dat wilt dus zeggen dat het einde van een cultuur ons niet noodzakelijkerwijs naar de steentijd zal voeren. Een hoog beschavingsniveau kan echter alleen in stand gehouden worden door een cultuur met een hoog organisatieniveau. Daardoor blijft een lentecultuur primitief, omdat het geen boodschap heeft aan de beschaving. Een zomercultuur, zoals dat van de Germanen ten tijde van de val van het Romeinse rijk, zal een terugval in de beschaving veroorzaken. Een herfstcultuur kan een hoog beschavingsniveau adapteren, maar niet zelfstandig in stand houden. Alleen een wintercultuur kan de beschaving overnemen en verder ontwikkelen. Voor een wedergeboren cultuur hangt het er vanaf op welke manier de moedercultuur aan haar einde komt. Kunnen ze een deel van het beschavingsniveau adopteren en doen overleven of is de winter te hard geweest?

TROEBEL WATER

In het doorlopen van de cultuurcycli zijn er steeds drie tribale krachten. Dit zijn de avant-garde, de progressieven en de conservatieven. De avant-garde trekt de logische conclusie uit de heersende orde en zoekt naar antwoorden die de logische opvolging van de conclusie zouden kunnen zijn. Daarbij verlaat ze de hedendaagse machtsstructuren en richt er nieuwe op. Voor de avant-garde varen progressieven en conservatieven in hetzelfde schuitje; beiden houden de tijd tegen. Progressieven breiden de heersende orde uit naar overal waar oude machtsstructuren zich nog doen gelden, daarbij hevelen ze de macht over van het oude naar het hedendaagse. In hun vaak moraliserende dadendrang kunnen de progressieven geen onderscheid maken tussen de avant-garde en de conservatieven. Conservatieven zijn enerzijds de progressieven van gisteren, die nog niet door hebben dat hun tijd voorbij is. Anderzijds zijn het ook de mensen die antwoorden zoeken op hedendaagse problemen in de machtsstructuren van het verleden, de arrière-garde zo men wilt. De cultuurcyclus is echter niet tegen te houden. Het enige dat conservatieven mogelijk bewerkstelligen is dat ze het tijdsverloop tijdelijk kunnen saboteren door een microcultuurcycli te realiseren. Deze zal echter steeds leiden tot dezelfde conclusies en dus tot een herhaling van de tijd. De avant-garde is de enige juiste weg. Hoe sneller men dit inziet hoe zachter de tijdsovergang kan verlopen. Elke machtsstructuur zal uiteindelijk en onverbiddelijk onder haar eigen gewicht ineenstorten, maar dan zijn de gevolgen groter. De tijd zal vooruit gaan, dat is een natuurwet. Alleen het niets kent de luxe om niet te transformeren.

Dit wilt dus zeggen dat elke gegeven tijdsperiode nooit helemaal op zichzelf staat of zuiver is. Altijd gelden de invloeden van toekomstige tijdsperioden en kent men de naweeën van voorbije tijdsperioden. Ook naburige culturen hebben hun invloed. De overgang tussen twee tijdsperiodes is daardoor moeilijk te maken. Elke tijdsperiode kent ook twee fasen: de vroeg progressieve fase waarin het volk reeds in de avant-garde tijdsperiode leeft, maar de instituten nog niet mee zijn met hun tijd. Deze wordt opgevolgd door de laat progressieve fase waarin er een machtswissel is gebeurd in de instituten, maar de energie niet meer van onderuit komt. In de late fase zijn het de instituten die de tijdsperiode opleggen aan het volk. De eerste fase gebeurd vanuit kracht, de tweede echter vanuit macht; waardoor het volk nooit krijgt waarvoor het heeft getekend. Daarnaast is het ook zo dat de tijd van een tijdsperiode niet geijkt is. Sommige tijdsperioden kunnen korter dan een eeuw zijn, andere tijdsperioden kunnen eeuwen aanhouden. Een cultuurcyclus kan makkelijk vierduizend jaar in beslag nemen om van begin tot einde te ontvouwen. Het zaad van de volgende cultuurcyclus wordt vaak al geplant in de huidige.

LENTE

VEELHEID

Een lentecultuur kenmerkt zich door een veelzijdigheid aan culturele elementen. In het eerste seizoen van de cultuur is er geen uniformiteit, daardoor is er wel een zekere vrijheid waarin de mens zijn persoonlijke pad kan ontwikkelen, weliswaar binnen de regels van het spel. De culturele elementen zijn sterk verbonden aan lokale en natuurlijke verschijnselen. De kunst van de lente is er een die in techniek vergelijkbaar is met het expressionisme, maar de thematiek is functioneler: ritmische patronen, dieren, hemellichamen en andere animistisch verschijnselen worden getoond binnen hun context. Men is er niet meer op zoek naar grensverleggend experiment, maar grijpt terug naar ambachtelijke processen en naar hetgeen voorhanden is. In de lentecultuur transformeert de kunstenaar van creatieve genius naar spirituele sjamaan in dienst van het collectief. De lenteculturen gelijken het meest op elkaar in tijd en ruimte. Het is alsof men na iedere culturele val terug op de aloude plaats terecht komt. En dat is ook zo. Elke cultuur is op dezelfde basis gebouwd; op de natuurlijke wetmatigheden. In de lentecultuur komen we terug in contact met het eeuwige en permanente.

APRIL – ANIMISME

Functionalisme: opnemen en samenvoegen

In hun overlevingsdrang organiseren de mensen zich lokaal, waardoor overal nieuwe dorpen ontstaan die functioneel verbonden zijn met het primitieve leven op het platteland. Waar de primordialisten nog konden leven op de restwaarde van de gevallen cultuur, leven de animisten terug van het land. In het dorp vinden de animisten de orde waar de primordialisten naar streefden.

Door primordiale verschijnselen samen te voegen geven animisten aan de natuurlijke wetmatigheden en de daaraan gekoppelde lokaal ontstane primitieve wijsheden persoonlijkheid en plaatsgebondenheid. Doordat meisje en rood, boos en wolf, donker en bos, oud en moeder bijeenkomen krijgen ze karakter. Het functionele leefgebied wordt daardoor ook een geestelijke heimat. De mens kan zich met zijn land verbinden en vindt er zingeving. In het animisme begint de premythische tijd.

MEI – TRIBALISME

Fundamentalisme: verkiezen en harmoniseren

In een unitaire samenleving is het tribalisme een negatieve kracht dat het volk verdeeld. De tribale tijdsperiode komt echter na een periode dat het volk versnipperd is geraakt; waardoor het een positieve kracht is dat het volk terug samenbrengt. Cultureel gezien is deze tijdsperiode het begin van de culturele expansie. Het zijn de wervende elementen van de versnipperde cultuur die de kracht in zich hebben om samen te klitten. Dit zijn vaak de fundamentele wijsheden, die in elk dorp gelijktijdig en gelijkvormig ontstaan en de bovenhand nemen. Roodkapje, de boze wolf, grootmoeder en het donkere bos, die in het animisme nog apart van elkaar bestaan, worden in het tribalisme samengevoegd tot een harmonieus verhaaltje.

Tegelijkertijd is het tribalisme ook een regionaliserende kracht waardoor de samenleving terug vorm krijgt. Tussen de dorpen worden wegen aangelegd en aan rivieren ontstaan handelsplaatsen.

JUNI – PAGANISME

Structuralisme: herformuleren en schematiseren

In de paganistische tijd heeft de regionaliserende kracht terug tot een samenleving geleid. De mens is daarbij terug uit het dal van geestelijk en werelds overleven geklommen. Er is terug een maatschappelijk systeem op poten gezet waarin de mens kan functioneren en ruimte en tijd heeft om nevenactiviteiten te volbrengen. Het regionaliseren heeft geleidt tot de vorming van stammen, tot handelsnetwerken en tot culturele overdracht. Seizoensgebonden ceremonies en feesten brengen het volk bij elkaar.

De verhaaltjes van de tribale tijdsperiode worden in het paganisme bij elkaar gebracht tot een samenhangend geheel, daardoor ontstaat een kosmogonie en mythologie. Dit zorgt voor een transformatie van de verzameling aan levenswijsheden naar een geestelijk en werelds af te leggen pad en een aantal culturele deugden. Hierin kan de overgang van de lente naar de zomercultuur plaatsvinden.

Een voorbeeld van deze culturele deugden zijn de negen nobele deugden uit het heidens reconstructivisme (Romantiek); waar ik de volgende interpretatie aan gaf:

Deugd boven toelaatbaarheid
Kunde boven potentie
Expressie boven geheimhouding

Rust boven angst
Verwildering boven conformiteit
Nuance boven dogmatisme

Erfelijkheid boven slavernij
Verbondenheid boven onpartijdigheid
Folklore boven doctrine

Het paganisme brengt een collectief systeem tot stand. De mens moet zich spiritueel voortbewegen in voorgeschreven schema’s. Hem wordt verteld wat fout is en wat juist. Maar het paganistisch systeem staat nog wel ten dienste van de mens. De mens wordt aangezet te leven zoals de helden en goden uit de mythologische epen. Wie dit pad succesvol kan afleggen wordt een groter en beter mens, die een positieve bijdrage kan leveren aan de gemeenschap waartoe hij behoord. Langs de andere kant is het paganistisch systeem ook niet zo rigoureus dat er geen manoeuvreerruimte meer is. In de veelheid aan verhalen en helden is er voor ieder talent een weg naar voortreffelijkheid.

ZOMER

HEELHEID

Waar de cultuur in de lente nog in een zoekende opwaartse beweging is, is de cultuur in de zomer gedefinieerd. In de voltooiing van de paganistische tijdsperiode wordt de cultuur als het ware wedergeboren. De geest van de cultuur heeft zich als het ware kunnen ontpoppen en toont zichzelf. Het is niet meer het volk dat de cultuur vormgeeft en voortstuwt; het is nu de cultuur die zichzelf begint te ontvouwen. Zomerkunst wordt gekenmerkt door een terugkeer van gespecialiseerde mediums en een gelaagdheid aan figuratieve symboliek. De kunstenaar wordt als beeldhouwer, bronsgieter of bard terug als beroep gevestigd; weliswaar nog in een breder gedragen priesterklasse.

JULI – EPISCOPALISME

Ritualisme: specialiseren en formaliseren

Naar het einde van de paganistische tijdsperiode wordt het in de mythologie verwerkte wereldse en geestelijke levenspad omgezet in rituelen en ceremonies. In die evolutie wordt de mythologie geformaliseerd en ingebed in tradities. Daardoor ontstaat er een afstand tussen de leer en de mensen. De mensen moeten nu immers zelf niet meer de mythologie doorgronden, het wordt voor hen vastgelegd. Daardoor evolueren een groot deel van de mensen van actieve leerlingen naar passieve volgelingen. Om die afstand te overbruggen ontstaat er een priesterklasse, die specifiek als taak heeft de volgelingen doorheen de rituelen en ceremonies te begeleiden en over de tradities te waken. Naarmate de samenleving zich steeds beter organiseert kunnen de mensen zich ook toeleggen op steeds meer specifieke taken. Dit vertaald zich ook in de priesterklasse waarbij sommigen zich toeleggen op recht en anderen op kunst; specifieke taken gaan naar priesteressen, andere gaan naar priesters.

AUGUSTUS – PLURALISME

Elitarisme: aftakken en nuanceren

Het ontstaan van de priesterklasse heeft er toe geleidt dat sommige mensen zich specifiek konden toeleggen op het verder ontwikkelen van het culturele levenspad; maar ook op recht, medicijnen, architectuur en zo meer. Multidisciplinaire denkers richten scholen op, zoals bijvoorbeeld het hellenistisch epicurisme en stoïcisme. Maar ook bij ons zou men de specifieke verering van de matrones als een school kunnen interpreteren; een school die zich misschien wel tot vandaag heeft voortgezet in de Mariaverering, waarvan duizenden kapelletjes op het Vlaamse platteland getuigen. In de strijd om de cultuur te domineren treden de scholen in concurrentie met elkaar, wat leidt tot een geestelijke verdieping zonder weerga. Het is in deze verdieping dat de cultuur haar geestelijke hoogtepunt bereikt.

Landbouwers hebben andere belangen en levenswijzes dan handelaars of stedelingen en dat vertaald zich in de omgang met de traditie. In deze tijdsperiode zie je dan ook het ontstaan van culten met specifiekere rituelen en ceremonies. Het zijn aftakkingen van de traditie die ontstond in het episcopalisme. Vaak is er een overlap tussen scholen en culten.

SEPTEMBER – PANTHEISME

Populisme: samenvatten en misleiden

In eerste instantie leiden de scholen van het pluralisme tot verdieping, waarbij aandacht wordt gegeven aan woord en tegenwoord, wat op zijn beurt leidt tot nuance. Dat wordt een beetje gesymboliseerd in de filosofentuin, waar studenten bij elkaar komen om met elkaar te discussiëren. Een te veel aan nuance kan de levensweg echter onduidelijk of elitair maken en daarom leidt het pluralisme tot populistische culten die uit een amalgaam aan pluralistische elementen uit diverse scholen en culten de som van het geheel maken. Heelheid wordt daardoor eenheid. De som wordt mythologisch vertaald in een enkele god. Deze bestaat in den beginne nog uit meerdere persoonlijkheden, om alle aspecten van de traditie te kunnen inkapselen. Zoals in de vader, de zoon en de heilige geest; of in de drie matrones nood, worden en schuld. De som is echter altijd een leugen, in die zin dat de som geen entiteit op zich is, maar enkel bestaat in de heelheid dat als eenheid verpakt wordt. Bovendien veranderen de afzonderlijke entiteiten in de heelheid constant, waardoor de som in constante beweging is. Door de som te benoemen doet men alsof de som kan worden vastgelegd. Daarom wordt de som gepresenteerd als pantheïstisch; alleen in zijn ondoorgrondelijke immanentie en alomvattendheid kan de som immers standhouden.

Alleen in het niet-zijn kan de som bestaan. Daaruit volgt dat wie de ene god vereert eigenlijk de dood vereert. Het pantheïsme kenmerkt zich dus door de introductie van de doodscultus in de samenleving; dat echter verpakt wordt als het goede en de te volgen levensweg.

Pantheïsme is de tijdsperiode waarin een populistische school de culturele strijd wint van de pluralistische scholen en de cultuur zal domineren. De populistische school ontwikkelt zich tot een cultus en de cultus tot de dominante religie binnen de cultuur. Dat doet ze met bedrog en geweld, niet met woord en tegenwoord, zoal in het pluralisme. Niet kennis en uitdaging zijn nog langer belangrijk, wel macht en massa. Het pantheïsme kenmerkt zich dan ook tot de vorming van populistische elites, die doorheen de opvolgende tijdsperiodes steeds meer zal vervreemden van het volk waaruit ze is ontstaan en de intellectuele elites van weleer zal vervolgen.

HERFST

EENHEID

Het geestelijke hoogtepunt van de cultuur is in de herfst voorbij, het wereldse hoogtepunt komt echter in dit seizoen tot stand. Dit hoogtepunt kan tot stand komen doordat de mythologie gereduceerd werd tot een simpel verhaal. Door die gerichte keuze kan de energie van de ganse samenleving gericht worden op dat ene verhaal, waardoor de cultuur zich gemakkelijker en krachtiger in de wereld kan uitdrukken. In die expressie komt het wereldse hoogtepunt van de cultuur tot stand. Door haar inhoudelijke armoede gaat haar oorspronkelijke educatieve doel echter verloren. Dat zal uiteindelijk haar ondergang worden.

De kunst staat nu in functie van het maken van taferelen. Het verschuift daarin van iconische kunst naar een meer realistische weergave. Er ontstaan trends en stromingen in deze figuratieve kunst. Kunstenaars worden meesters met leerlingen, die komen te werken in dienst van dat ene verhaal. Zowel zomer – als herfstkunstenaars maken collectivistisch werk, maar de zomerkunstenaar kon nog zelfstandig interpretaties maken van de mythologie, de herfstkunstenaar kent deze vrijheid niet. Hij heeft enkel de vrijheid om te excelleren in zijn vak. Zo brengt de herfstkunstenaar de cultuur opnieuw naar haar hoogtepunt.

OKTOBER – SCHOLASTIEK

Occultisme: veinzen en uniformeren

De scholastiek kenmerkt zich door een top-down denken, waarbij de religieuze school of scholen de opdracht hebben om de leugen van de eenheid recht te trekken. Ze moeten allerlei theorieën tot stand brengen die het bewijs moeten aandragen dat de goddelijke som bestaat. Dit is echter een onmogelijkheid, maar de dominante school heeft in deze periode zoveel macht dat ze deze zoektocht onverbiddelijk kan opleggen. Doordat macht primeert boven waarheid zal het levenspad dat er in het paganisme was om de mensen te dienen er steeds meer toe leiden dat de mensen de macht moeten dienen. Veel mensen denken sinds het episcopalisme niet meer voor zichzelf, waardoor ze als volgelingen de nieuwe realiteit volgen. Scholen die afwijkende ideeën hebben worden net zoals de priesterklasse van de zomercultuur met geweld en de harde hand aangepakt. Heksenvervolgingen en godsdienstoorlogen zijn het gevolg.

NOVEMBER – MYSTIEK

Secularisme: vergeestelijken en scheiden

Uiteindelijk zal de onmogelijkheid van de scholastiek leiden tot de mystiek, waarin de som of god komt te bestaan in de individuele beleving. In die beleving hoeft het bewijs niet geleverd te worden, gevoel is immers nooit verkeerd. De beleving komt in een godsverschijning. Het brengt de religie dichter bij de mensen en allerlei bedevaartsoorden zien het levenslicht. De populistische school vindt zich in de mystiek opnieuw uit.

De goddelijke som is nu van het scholastiek objectieve naar het mystiek subjectieve verschoven. Door de mystiek kan het wereldse zich bevrijden van het godsbewijs, waardoor wat eerst als afwijkend of als gevaarlijk werd beschouwd, nu kan verkend en ontwikkeld worden. De logische consequentie van de mystiek is dus het secularisme, waarbij de vergeestelijking van de religie ruimte geeft aan het wereldse. De afspraak is dat de wetenschap zich niet bemoeit met het subjectieve. Een wetenschapper moet kunnen blijven geloven. Dit pact zal pas in de primordialistische tijd gebroken worden, wanneer het wetenschappelijk bewezen is dat het subjectieve en objectieve met elkaar verweven zijn en de wereld dus magisch is.

DECEMBER – ROMANTIEK

Existentialisme: smachten en ontmaskeren

Het zijn de romantici die tot het besef komen dat de mystiek de natuur heeft onttovert, de natuur is immers geseculariseerd van het religieuze. De romantici ervaren daardoor een verlies. De in het animisme ontstane heimat is niet meer. De wereld wordt daardoor als leeg ervaren. In dit gruwen komt het besef dat de cultuur gestorven is. God is dood. Het is echter dit romantisch besef dat de cultuur doodt; maar dat beseffen de romantici nog niet. In hun gruwen trachten zij de natuur terug nieuw leven in te blazen en god er terug in te laten herrijzen. Sommige romantici gaan verder terug in de tijd door het paganisme te herontdekken en te recreëren. Anderen rakelen de sprookjes van weleer op. De romantiek is in essentie de eerste reactionaire conservatieve beweging, die de heimat terug in ere wilt herstellen. In haar kunst stelt ze de wereld voor als betoverd of sferisch. Dat is hoe de romantici hun wereld terug trachten te herstellen.

In de romantische reactionaire reactie wordt de goddelijke som onvrijwillig ontmaskerd. Net in de ontbering legt men de nadruk op wat men ontbeert. De immanente en allesomvattende pantheïstische som wordt een monotheïstische eenheid, die net als de individualistische mens los komt te staan van zijn gemeenschap. In de romantische mens komt de existentialist tot stand. Maar de eerste existentialistische reactie is het trachten te negeren van de existentialistische conditie door te geloven in hetgeen niet meer is. De gelovige negeert actief de dood van god door in hem te geloven. De gelovige houdt daardoor de verlamde cultuur kunstmatig in leven in de wetenschap dat herstel niet meer mogelijk is.

WINTER

LEEGHEID

De existentialist geeft geboorte aan de wintercultuur. Deze cultuur is echter een substituut voor de reeds gestorven cultuur. Het is een culturele cultuur, die de natuurlijke cultuur tracht na te bootsen. Als een Frankenstein wordt de teloorgegane cultuur terug nieuw leven in geblazen. Net als Frankenstein is ze echter ruw en onbehouwen. Maar ze is vooral kortlevend. De existentialist komt te falen in zijn poging god te vervangen. De mens blijkt niet bij machte te zijn een levensvatbare cultuur te scheppen. Elke poging daartoe eindigt desastreus. Uiteindelijk zal de mens moeten toegeven dat alleen de natuur een levensvatbare cultuur tot stand kan brengen. Alleen de mens die de cultuur loslaat kan natuurmens worden en alleen in de natuurmens wordt de natuurlijke cultuur herboren. Niet als een existentialistisch substituut of een Frankenstein, maar als een boorling die op een natuurlijke manier groot gebracht dient te worden. In de winter verschijnt de mens in zijn meest ontmenselijkte vorm om uiteindelijk weer wolf te worden.

In de winter ontwortelt de kunstenaar tot creatieve genius. In eerste instantie volgt hij nog de stijlen van de herfstcultuur, maar door het gebrek aan een leidende cultuur groeit de kunstenaar steeds meer naar ontaarde stijlen, die als ze aanslaan andere kunstenaars beïnvloeden, waardoor opeenvolgende kunststromingen ontstaan. Bij gebrek aan een leidende cultuur hebben de stijlen een vereenvoudigend effect, waardoor de hoge cultuur van weleer afbrokkelt tot haar essentiële bouwstenen. Existentialisten zullen van deze bouwstenen gebruik maken om hun substituut te construeren. Zij trachten een nieuwe schoonheid te scheppen, maar scheppen in hun ontmenselijkte onkunde lelijkheid. In hun poging om het substituut te perfectioneren ontstaat er een dynamiek van onderscheiden en opnieuw verknopen waarbij het substituut steeds verderaf komt te staan van de originele cultuur dat het tracht na te bootsen. Het substituut wordt daardoor steeds onnatuurlijker en lelijker. Sommige existentialisten vinden in de lelijkheid echter het al te menselijke terug. Vanaf daar is het maar een kleine sprong om de natuur terug te omarmen door de dode god te laten heengaan.

JANUARI – REALISME

Nostalgie: vereenvoudigen en overdrijven

Als reactie op de romantiek komt er een existentialistische aanvaardingsbeweging op gang, die de werkelijkheid onder ogen tracht te zien. Door fenomenologisch onderzoek tracht zij de goddeloze wereld terug te begrijpen en toegankelijk te maken. Kunstenaars gaan letterlijk naar het platteland om het natuurlijke te kunnen inademen. Maar zij beseffen niet dat wat ze voor het natuurlijke aannemen een oudere versie is van de in de stad teloorgegane cultuur. God is dood in de stad, maar nog niet op het platteland. Wat zij als fenomenologische verschijningen van de werkelijkheid aanzien is doorspekt van nostalgie. Op die manier leeft de schaduw van de dode god in hen voort. Men kan de dode god niet zomaar naast zich neerleggen zonder hem een fatsoenlijke begrafenis te laten ondergaan. Alleen na een desacralisatie kan er een gedegen fenomenologie zijn.

Wat de realisten als echt ervaren is het eenvoudige dat bij gebrek aan een leidende cultuur steeds essentiëler wordt. Realisten vinden zichzelf uiteindelijk in de essentiële reductie van hun eigen cultuur die gevonden wordt in het eenvoudige leven in de fabriek of op het platteland.

FEBRUARI – MODERNISME

Constructivisme: zuiveren en verknopen

Onder invloed van het realisme slaat het romantisch sentiment om. In plaats van nog langer het existentialistisch substituut in het verleden te zoeken wordt het substituut in de toekomst gezocht. Zo komt het modernisme tot stand. De nostalgische verschijningen die de realisten vorm hebben gegeven worden er als bouwstenen gebruikt om het substituut vorm te geven. Daardoor is de culturele cultuur die wordt opgezet maar een korte levensduur beschoren. Na elk mislukken wordt de puzzel terug uit elkaar gehaald om vervolgens een nieuwe puzzel te fabriceren. Modernisme heeft daardoor een progressief karakter. Elk nieuw substituut gaat een zuiveringsproces door, waarbij bepaalde aspecten van de nostalgische verschijnselen komen te sneuvelen. De opeenvolgende substituten worden daardoor steeds meer ontdaan van de dode god, maar verliest daardoor ook de connectie met het natuurlijke. De verschijningen worden daardoor steeds leger en de substituten steeds onnatuurlijker, waardoor de constructies steeds meer uitgehold worden en modernisme naar postmodernisme verschuift. Ze verworden van het nationalisme dat nog enigszins de natuurlijke volksstam weet na te bootsen tot een divers en veelzijdig kosmopolitisme dat enkel nog een zelf bevestigende inhoud te berde weet te brengen. Identiteit vervangt afkomst. Ideologie vervangt traditie. De beoogde nostalgische gelijkwaardigheid mond er uit in een grotere ongelijkheid, de beoogde nostalgische vrijheid in een grotere onvrijheid, broederschap in broedermoord. Het modernisme stopt wanneer het de maten van de maatschappij zodanig heeft geledigd dat het de maatschappij niet meer bij elkaar kan houden.

In het mislukken van de culturele cultuur en de lediging der verschijnselen wordt de dode god gedesacraliseerd. In de ontmenselijking vindt de waarde van het mens zijn terug ingang. In de lelijkheid verschijnt de al te menselijke schoonheid.

MAART – PRIMORDIALISME

Dedomesticatie: bevrijden en verwortelen

De primordialisten begraven uiteindelijk de dode god. Het verlangen naar een substituut voor de dode god en het daarmee gepaard gaande idee van het einde van de geschiedenis wordt samen met de dode god begraven. Daarmee kan de ware fenomenologie plaatsnemen; geen fenomenologie die dient als bouwsteen voor de een of andere constructie, maar een fenomenologie die er voor zichzelf is. In de primordialistische fenomenologie worden de natuurlijke, al te menselijke en nativistische verschijnselen bevrijd. Primitieve wijsheden krijgen vorm in lokale en natuurlijke elementen. De verschijnselen vinden hun thuis in hun natuurlijke context. Alleen zonder cultureel ingrijpen kan de cultuur opnieuw geboren worden en de volksziel opnieuw worden opgepakt.

Op het graf van de dode god en onder het licht van een bloedrode maan huilen de weer wolven. Zij brachten er het gruwelijke offer. Wachtend op het ochtendgloren dat net achter de horizon ligt. Bloed druipt van hun klauwen. Terug mens geworden zullen de weer mensen naar hun weer dorp keren waar ze hun weer heimat zullen vinden.