Istvaeonen

Verweven Geschiedenis

AMBIORIX EN DE CIMBREN

De Cimbren, Teutonen en Ambronen, die samen in -113 optrokken en in verschillende veldslagen de Romeinen grote nederlagen toebrachten, zijn drie Ingveoonse stammen afkomstig van Jutland en het waddengebied in het huidige Denemarken. Al plunderend reisden zij door Duitsland, Frankrijk en Spanje om uiteindelijk langs onze contreien te passeren. Zij trachten zich tijdelijk in het Nervische gebied te vestigen, maar werden door hen verjaagd naar het naburige gebied van de Ulmiërs. De Ulmiërs, een uit de provincie Namen afkomstige stam, die contribuant waren aan de Eburonen, konden hen niet verdrijven. De Cimbren slaagden erin de zoon en neef van Ambiorix, toenmalige koning der Eburonen, te ontvoeren. Hierdoor werden de Eburonen verhinderd de Cimbren en Teutonen te verdrijven. Ambiorix moest hen zelfs losgeld betalen om hen in leven te houden. In Namen bouwden zij een fort, maar het grootste deel van de Cimbren en Teutonen besloot kort daarop verder te trekken. Zij splitsten zich op. In -102 werden de Teutonen en Ambronen in de slag bij Aix verslagen, de Cimbren werden in -101 in Italië verslagen in de slag bij Raudine. De Cimbren bleven echter met 6000 manschappen achter in hun fort in Namen, waar zij de buit van de eerdere plundertocht bewaakten.

Uit dit relaas kunnen we al een aantal dingen concluderen die de tijd van toen schetsten en die belangrijk zijn in de verdere opbouw van mijn relaas. We leren hier bijvoorbeeld dat er grotere coalities waren van verschillende stammen die gedomineerd werden door een hoofdstam. In het geval van de Ulmiërs weten we dat ze gedomineerd werden door de Eburonen. In eerste instantie weten we echter niets over de gedomineerde stammen, zij worden allen naar de hoofdstam genoemd. Het is pas wanneer de Eburonen onder toedoen van de Romeinen hun macht verliezen over de andere stammen dat hun stamnamen bekend worden. De gedomineerde stammen moesten contributie betalen aan de dominerende stam in de vorm van landbouwopbrengsten. De stammen waren intern wellicht op dezelfde manier georganiseerd, waarbij de machtigste sibbe de andere sibben domineerden en zo een stam vormde. In de tijd tussen de inval van de Cimbren en de inval van de Romeinen waren er in de Nederlanden twee grote coalities; de Eburonen en de Menapiërs, daarnaast waren er nog drie groepen stammen die door samenwerking zichzelf in stand konden houden. Maar laat ik beginnen met de Eburonen.

De Eburonen zelf leefden in het noorden van hun gebied. Hun kerngebied bevond zich tussen de Maas en de Rijn, maar hun gebied strekte zich uit tot aan de Dijle in het westen en Jeker in het zuiden. Hun belangrijkste plaatsen lagen aan de Rijn, waarvan Bonn de meest zuidelijke was. Zij hielden goede contacten met de stammen aan de oostkant van de Rijn, zoals de Sugamber. De Eburonen domineerden vijf stammen die in de Ardennen en Eifel leefden. De Ulmiërs leefden in het huidige arrondissement Namen of de toenmalige Lommegouw. De Pemaniërs leefden in de arrondissementen Dinant en Philippville, aan hen danken we de naam Famenne. In de provincie Luik en het arrondissement Marche-en-Famenne leefden de Condrusiërs, van hen kennen we de Condroz, een streek in de Ardennen. Ten zuiden hiervan leefden de Segniërs in de arrondissementen Neufchateau en Bastenaken, in de zuidelijke Oostkantons, in de Ösling en in de Eifelkreis Bitburg-Prum. Tenslotte leefden de Cerosiërs tussen de Segniërs en de Rijn. Al deze stammen stonden in de tijd dat ik hier beschrijf bekend als Eburonen en vochten wellicht als Eburonen in de grote veldslag bij Bibrax. Deze stammen spelen geen verdere rol in de geschiedenis, die ik hier tracht te schetsen. Sommige van deze stammen, zoals de Cerosiërs, kennen we enkel via een votiefsteen die in de Eifel aan de Carucum wordt toegeschreven en een lijst onbeduidende namen van Caesar. Net zoals bij de Ulmiërs vullen zij een gat in die aan geen enkele andere stam kan worden toegewezen, maar waar er wel eentje moest zijn geweest. Het is dan logisch dat de Cerosiërs leefden waar zij mogelijks hun votiefsteen achterlieten, maar hard bewijs is hier niet voor.

De tweede coalitie en degene die de Lage Landen echt definieert is die van de Menapiërs. Deze Vlaamse stam had een groot handelsrijk uitgebouwd, hun naam verwijst dan ook naar de handel op het water. Zij dreven handel over de Waddenzee, het Kanaal, de Ierse zee en diep in de Rijndelta. Langs al deze kusten hadden zij watermarkten, waarrond zij nederzettingen bouwden en de handel met het binnenland organiseerden. De andere delen van de Noordzee, zoals de oostkust van Engeland en de kusten van Denemarken en Noorwegen, moeten het gebied zijn geweest van een ander handelsvolk. De volkeren in Frans-Vlaanderen, West en Oost-Vlaanderen, Antwerpen, Noord-Brabant, Utrecht, Holland, Gelderland en Friesland waren toen allen Menapiërs. Ook zij hadden onderstammen, die later het levenslicht zouden zien. Deze waren de Cananefaten die leefden in Zuid-Holland en Zeeland, de Batavieren van zuiders Gelderland en de Ambivarieten uit Antwerpen en de streek rond Breda.

Ten zuiden van de Menapiërs leefden twee onafhankelijke Istvaeoonse stammen. De grootste stam was die van de Nerviërs, die vandaag in Vlaams – en Waals-Brabant, in het land van Aalst, in Henegouwen en in Kamerijk zouden leven. Zij hadden vier hoofdplaatsen; namelijk Asse, Elewijt, Binche en Blicquy, die wellicht aan bepaalde sibbes toebehoorden. Daarnaast waren er de Morinen die aan de Franse Opaalkust leefden. Een derde stam, de Atrebaten, was een onderstam van een coalitie stammen die zich de Belgen noemden. De andere Belgen uit die coalitie waren Gallische stammen. De grens tussen het Istvaeoonse gebied en dat van de Galliërs kon bepaald worden door Germaanse plaatsnamen en bierconsumptie versus Gallische plaatsnamen en wijnconsumptie. Deze grens loopt aan de huidige Frans-Belgische grens ten zuiden van de provincie Namen tot zij ter hoogte van Momignies westwaarts naar het Kanaal gaat. Caesar zou later ook de Istvaeonen ten noorden van deze grens als Belgen aanduiden, omdat de Rijn een betere grens was voor de verdediging van zijn rijk. Sindsdien denken de meeste Belgen dat ze Belgen zijn i.p.v. Istvaeonen. Aan de oostkant loopt deze grens ten noorden van de Gaume en ten zuiden van de Ösling, waar ze verder ten noorden van de Moezel loopt tot aan de Rijn. Ten zuiden hiervan wonen de Herminoonse Mediomatriciërs en Trevieren. De Istvaeoonse stammen die verder oostwaarts wonen worden in een volgend hoofdstuk besproken.

AMBIORIX IN BIBRAX

Wanneer de Romeinen doorheen Gallië naar het noorden oprukken besluit de Belgische coalitie en hun Istvaeoonse noorderburen de Romeinen op te wachten. Ook Ambiorix verzamelt alle Eburoonse stammen om de Romeinen met 40.000 manschappen tegen te houden. De Romeinen weten echter de Remers aan hun kant te krijgen. Om de Remers te bestraffen voor hun verraad wordt er besloten om hun stad Bibrax te plunderen. Terwijl de plunderingen plaatsvinden haasten de Romeinen zich naar de stad, waarbij de plunderaars zich met zware verliezen moeten terugtrekken naar hun kampement op de andere oever van de Aisne. De eerste veldslag is een feit. Het is het jaar -57. De coalitie van de Belgen telt 300.000 krijgers, zij stonden tegenover 30.000 Romeinse soldaten. Galba, koning der Suessionen, is de legeraanvoerder. Na het eerste treffen besloten beide legers elkaar in het moeras te lokken door kleine schermutselingen uit te lokken. Geen van beide legers ging daarop in. Daarna besloot Galba om de Romeinen te omcirkelen. De Romeinen wisten deze omcirkeling echter af te slaan. Tot een echt treffen zou het niet komen, want de Belgische coalitie had eigenlijk niet genoeg voedsel mee voor een langdurig treffen. Daarnaast werd het gebied van de meest omvangrijke stam geplunderd door een andere stam die de kant van de Romeinen koos. Men besloot daarom de Romeinen op eigen grondgebied aan te pakken.

Nog in datzelfde jaar konden de Romeinen verder oprukken naar het noorden. Terwijl de Belgische stammen door de Romeinen veroverd werden wisten de Istvaeonen zich te reorganiseren. Toen de Romeinen aan de Samber het Nervische gebied trachten in te nemen werden zij door hen verrast. De Romeinen wisten de slag op een haar na te winnen. Mee zal hebben gespeeld dat de Cimbren te laat op het slagveld aankwamen. Toen zij zagen dat de Nerviërs waren afgeslacht keerden zij terug naar hun fort. De Romeinen zette echter de achtervolging in waardoor het tot een tweede slag kwam bij Namen. De Romeinen belegerden en veroverden de stad. Daarbij werden 4000 krijgers gedood en 53.000 Ulmische stadsbewoners op de Romeinse slavenmarkten verkocht. Dit werd het einde van de Cimbren in ons land. De zoon en neef van Ambiorix werden bevrijd en zo wisten de Romeinen de loyaliteit van de Eburonen te winnen. In ruil voor vrede moesten zij de Romeinen als hun opperstam erkennen en ieder jaar aan hen een portie graan afstaan. De verovering onzer contreien was een feit. Alleen de Menapische kusten wisten de Romeinen maar niet onder controle te krijgen.

Andere stammen, die daartoe de mogelijk hadden doordat ze aan de zee grensden, besloten echter te vluchten. Zo trokken de Atrebaten en andere stammen van de Belgische coalitie over het Kanaal naar Engeland. Wellicht betrof het hier eerder de leidende klasse, niet de bevolking. De grote exodus kwam wellicht uit het gebied van de Menapiërs, die door hun handelsrijk reeds op vele plaatsen handelsnederzettingen hadden om naar toe te vluchten. Het verklaard waarom deze stam zo weinig manschappen inzette in de verschillende slagen waaraan zij participeerden en waarom de Menapiërs nog jaren lang de Romeinen konden weren met guerrilla oorlogstactieken. Een deel van de Menapiërs trok naar het eiland Man en naar Leister in Ierland, waar zij als de Manapiërs mogelijks een van de vier stichtende volken van Ierland werden. Later verhuisden de Manapiërs naar het noorden van Ierland waar zij het koninkrijk Fermanagh stichten. Een ander deel van de Menapiërs vluchtte naar het waddengebied rond het IJsselmeer. Zij noemden zichzelf de Vrijen, zij die vrij waren van het Romeinse gezag. In de taal van toen werd vrij uitgesproken als Fri, de Menapiërs van de wadden noemden zich dus de Friezen.

*(De 6000 Cimbren werden bij ons bekend als de Aduatieken. Atuatuci was synoniem voor fort, de Cimbren werden dus de fortbewoners genoemd. Dit leidde tot veel verwarring in de geschiedschrijving, daar ook de Romeinen forten bouwden en dus andere plaatsen als atuatuci bekend stonden.)

**(Met het opheffen van de coalities die bestonden in de tijd van voor de Romeinen kwamen de namen van de onderstammen aan het licht. Wanneer onderstammen zoals de Bataven voor het eerst verschijnen in de Romeinse geschriften interpreteren veel geschiedschrijvers dat deze stammen plots opduiken en dus van elders komen. Zij leggen hun oorsprong steeds in de donkere wouden van Duitsland, waar tal van onbekende stammen uit het niets lijken te ontspruiten. Gelijkaardige interpretaties geven zij aan archeologisch vondsten, taal en cultuur. Alsof er geen handel was en alsof taal en cultuur niet kunnen migreren zonder dat het volk migreert, bijvoorbeeld doordat het wordt opgelegd door een nieuwe leidende klasse of coalitie. Ten tijde van Caesar vond er duidelijk een overgang plaats waarbij de Keltische cultuur plaats moest ruimen voor de Germaanse. Er is echter geen Keltisch of Germaans volk. Dit zijn culturen en culturen hebben de neiging om te komen en te gaan.)

AMBIORIX EN DE OPSTAND

De Romeinen legden een fort aan op de Sint-Pietersberg bezuiden Maastricht; vanaf daar konden zij het Eburoonse gebied controleren. Bij dit fort moesten de Eburonen hun jaarlijkse portie graan afleveren. Zij waren in -54 met hun graan op weg naar het fort toen Ambiorix en zijn medekoning Catuvolcus een bericht kreeg van de Trevieren. Wat er in dit bericht stond is ons onbekend, maar het gevolg was dat de Eburonen hun graan terug mee naar huis namen en in het geheim een opstand organiseerden.

In eerste instantie werden enkele Romeinse houtsprokkellaars gedood nabij hun fort. Ambiorix werd ter verantwoording geroepen, maar maakte de Romeinen wijs dat niet hij, maar enkele opstandige Eburonen op eigen houtje hadden gehandeld. In dat gesprek maakte Ambiorix hen ook wijs dat de opstandelingen een leger aan het vormen waren met de Sugamber, die reeds de Rijn waren overgestoken en de volgende dag aan hun poorten zou staan. Hij raadde de Romeinen aan zich terug te trekken naar hun fort in de Ardennen dat beter te verdedigen was. Na een hele nacht discussiëren besloten de Romeinen het advies van Ambiorix te volgen en verlieten nog voor het krieken van de dag hun fort. In een diepe vallei langs de route die de Romeinen moesten nemen had Ambiorix echter een hinderlaag voorbereid. Het leger van Ambiorix viel de colonne Romeinen aan en wist hen volledig in de pan te hakken. Na de slag veroverde Ambiorix zijn Eburoons gebied terug, de opstand leek geslaagd.

In datzelfde jaar zette Ambiorix zijn opstand verder. Hij wist de Nerviërs te overtuigen om samen met hem een ander Romeinse fort aan te vallen dat ergens aan de Dijle moet hebben gelegen in het gebied tussen de Eburonen en de Nerviërs. De belegering van het fort duurde een week en leek in het voordeel van de opstandelingen uit te draaien. Caesar die elders oorlog voerde wist echter op tijd naar het fort terug te keren, waardoor de slag toch door de Romeinen werd gewonnen. De kortdurende opstand was daarmee ten einde. Ook de Trevierse koning werd in de nasleep van de opstand door de Romeinen vermoord.

Daarop stuurde Caesar een strafexpeditie uit over het Eburoonse grondgebied, waarbij hij de bevolking liet uitmoorden en hun akkers liet platbranden. De Eburonen vluchtte daarop naar de Ardennen en over de Rijn, waarbij we ervan kunnen uitgaan dat grote getale zich bij de Friezen aansloten. Ook Ambiorix wist te ontkomen ondanks een wilde achtervolging doorheen donkere bossen. Catuvolcus, toen reeds een oude man, nam de eer aan zichzelf door het drinken van taxussap. Na de mislukte opstand van de Galliër Vercingetorix werd het gebied van de Eburonen nogmaals door de Romeinen geplunderd. Het gebied tussen Maas en Rijn werd daardoor ontvolkt. Daardoor werd het echter kwetsbaar voor invallende stammen. Daarom werd een deel van dit gebied geschonken aan de Ubiërs, die zich net zoals de Remers als Romeinse vazallen opstelden. De Ubiërs wisten zo sleutelposities langs de Rijn in te bewaken, zoals Bonn en Keulen, die eerder de Eburonen toebehoorden.

De overgebleven Eburonen, die buiten het Eburoonse kerngebied woonden, gingen zich daarna noemen naar de centra die de Romeinen oprichten. De Eburonen van Tongeren, dat rond -30 werd opgericht, noemden zich de Tungri. De Eburonen van Traiana, het huidige Xanten, noemde zich overeenkomstig. Daarnaast zijn er in het zuiden van hun gebied de Cuniciërs bij Gulik te onderscheiden. In het noorden kennen we nog de Betasiërs, die bezuiden de Bataven moeten hebben gewoond. De Betasiërs en de Traiana zouden later assimileren met de Sugamber en Chattuaren, die hun gebied zouden bevolken.

AMBIORIX EN ARMINIUS

Nog datzelfde jaar in -54 weet Ambiorix aan de Romeinen te ontsnappen door de Rijn over te steken. Daar weet hij onderdak te vinden bij de oostelijke Istvaeonen en dat brengt ons bij hen. Het is het laatste wat we van Ambiorix horen, maar zijn rol zou nog niet uitgespeeld zijn. Van west naar oost gaat het woongebied van de oostelijke Istvaeonen grofweg van de zuidelijke Eifel over naar Sauerland (Zuidland), waar het de Weser volgt naar het noorden. Verder naar het noorden hoort het laagland tussen Bremen en Hamburg er ook bij, inclusief de kuststrook ten noorden van Hamburg. De Irminoonse buurstammen van de oostelijke Istvaeonen zijn de Trevieren die aan de Moezel en in de Hunsruck leven, de Chatten ten zuiden van Sauerland en de Cherusken ten oosten van de Weser. De Ingvaeoonse buurstammen zijn de Longobarden langs de Elbe verder landinwaarts en de Angelen van het Deense schiereiland. Al deze stammen zullen ter tijd en stond samenwerken met hun Istvaeoonse buren.

Door een monstercoalitie van oostelijke Irminoonse stammen, die zich de Sueben noemden, worden de Usipeten en de Tencteren uit hun Sauerlands grondgebied verjaagd. Zij maken hele omzwerving, waar ze ondermeer de Menapiërs bij Kessel verdrijven en het gebied van de Ambivarieten plunderen, voor ze door Caesar worden ontzet en ze uiteindelijk onderdak vinden bij de Sugamber, hun oorspronkelijke opperstam. Ook de Istvaeoonse Ubiërs die aan de middenloop van de Rijn leven worden naar het noorden gedreven. De Ubiërs gaan daarom in -55 een bondgenootschap aan met de Romeinen. Na een provocatieve inval van Sugambers, Tencteren en Usipeten weten de Romeinen met behulp van de Ubiërs, die verschillende oversteekplaatsen over de Rijn controleren, in een zes jaar durende campagne van -12 tot -6 ook het gebied van de oostelijke en noordelijke Istvaeonen te veroveren en de Sueben onder de knoet te krijgen. Zij noemen het de provincie Germania en leggen er wegen, forten en steden aan. De Istvaeonen moesten er belastingen betalen en een deel van hun jonge mannen aan de Romeinse legioenen afstaan. Om het Eburonenland terug te vullen wordt het zuidelijke deel van het gebied aan de trouwe Ubiërs afgestaan, het noordelijke deel gaat naar de Sugamber. Deze Sugamber zullen zich later de Cugernen noemen, terwijl de Sugamber die in Sauerland bleven zich de Marsen noemden. De Tencteren vinden uiteindelijk onderdak in het voormalige land van de Ubiërs, terwijl de Usipeten in de Achterhoek van Nederland gaan wonen. Uiteindelijk zullen de Tencteren terug verhuizen naar hun oorspronkelijke gebied aan de nabijgelegen Rijn – en Siegvallei.

De in -18 geboren Arminius, de zoon van een Cherusker koning, werd tijdens de Romeinse verovering van Germania gegijzeld door de Romeinen. Hij schopt het echter tot een vertrouweling van Varus, de gouverneur van Germania, van wie hij een Romeinse opvoeding krijgt en waarvoor hij een veldheer wordt. In +8 keert Arminius terug naar het Cherusker gebied om de dood van zijn vader Segimir te eren. Hij trouwt er tegen de wil van haar vader Segestes met de koningsdochter Thusnelda. Zijn loyaliteit, als het al bij de Romeinen lag, keert daardoor terug naar zijn stam. Terwijl hij nog steeds vriendschap veinst met Varus, organiseert hij in het jaar +9 in het geheim een opstand. Samen met zijn stam verzamelde hij de Chatten, en de Istvaeoonse Chauken, Brukteren, Chattuaren, Chassuaren, Sugamber en Angrivaren; de Ampsivaren weigerden echter mee te doen. Segestes verraadde Arminius bij Varus, maar die geloofde hem niet. Arminius vertelde daarop zelf aan Varus dat er een opstand was en lokte hem met zijn legers in het moeilijk begaanbare Teutoburgerwoud. Doordat Varus overtuigd was dat de stammen van Germania nog grotendeels achter hem stonden en door het moeilijke terrein liet hij zijn troepen marcheren in een lange karavaan. De opstandelingen maakten daar handig gebruik van om de karavaan voortdurend met kleine eenheden aan te vallen, waarbij ze direct daarna weer in het bos verdwenen. De Romeinen leden daardoor zoveel verliezen dat ze besloten terug te keren naar hun kamp. Op een smalle richel nabij Kalkriese werden ze echt opgewacht en afgeslacht door het leger van Arminius. De overlevende Romeinen vluchtten naar het noorden waar ze verdronken in het moeras. Varus en andere hoge officieren pleegden zelfmoord door zich op hun zwaarden te werpen. Germania was niet meer.

Geschiedschrijvers merken de gelijkenis tussen de list en de valstrik van Arminius en Ambiorix op. Met dat Ambiorix in hun gebieden is weten te vluchten, houdt men er rekening mee dat hij zijn tactieken heeft weten over te leveren aan de Istvaeoonse koningen. Als dat waar is, is de impact van Ambiorix veel groter dan we denken. De veldslag in het Teutoburgerwoud wordt beschouwd als een van de meest impactvolle uit de wereldgeschiedenis.

In +15 trekt de Romeinse Veldheer Germanicus de Rijn over in een poging Germania terug in te lijven. Om de nederlaag van Varus te wreken moord hij de Marsen uit; de Marsen waren het deel van de Sugamber dat zich afzette tegen de Romeinen door diep in het Sauerland te gaan wonen. Ook de Chatten en de Usipeten krijgen het hard te verduren, deze laatste stam gaan daarna bezuiden de Siegvallei gaan wonen. Uit wrok ontvoerd Segestes zijn zwangere dochter en vrouw van Arminius en levert haar uit aan Germanicus. Arminius weet daarbij de stammen opnieuw te verenigen en de troepen van Germanicus te verjagen. Het jaar daarop doet Germanicus een tweede poging met nog een groter leger, maar opnieuw wordt hij verslagen. Uiteindelijk trekken de Romeinen hun conclusies en trekken zich definitief terug achter de Rijn. Arminius verklaart zichzelf daarop tot koning en tekent daarmee zijn dood.

Het Friese Kennemerland, het huidige Noord-Holland, bleef in +15 echter deel uitmaken van het Romeinse rijk; na de val van Germania Magna werd het aan Germania Inferior gekoppeld.. De brede duinengordel van Kennemerland was bebost met het Baduhennawoud; genaamd naar Baduhanna, een Istvaeoonse oorlogsgodin. De aldaar wonende Friezen, die dan toch niet meer zo vrij waren als hun naam initieel suggereerde, kwamen in +28 in opstand doordat ze veel te veel belastingen moesten betalen. In het Baduhennawoud knoopten zij de belastinginners op. Daarop volgde een veldslag, waarin de Cananefaten vochten voor de Romeinen. De Cananefaten verloren echter zwaar. In +47 werd het gebied van de Friezen echter weer verovert door de Romeinen. Van +69 tot +70 vond de Bataafse opstand plaats, waarin Bataven, Friezen, Bructeren en Cananefaten zich tegen de Romeinen keerden. Wederom verloren de Cananefaten veel manschappen in deze mislukte opstand. Vanaf die tijd werd het gebied van de Friezen een soort van markgraafschap, waar de Friezen vrij waren in hun bestuur, maar wel nog belastingen moesten betalen en troepen moesten leveren. Terwijl het gebied tussen de Rijn en het IJsselmeer werd ontvolkt, vestigden zich heel wat Friezen in Zeeland en de Biesbosch, op de eilanden waar de Cananefaten zich hadden moeten terugtrekken door steeds voor de verliezende partij te strijden. De Friezen die binnen de Romeinse grenzen gingen wonen werden de Frisiavones genoemd. Schouwen en Beveland in Zeeland werden echter geschonken aan de Morinen, die aldaar de Marezaten werden genoemd.

SAXEN EN FRANKEN

Wanneer Germania definitief door de Romeinen als buitenland erkent wordt begint een nieuw tijdperk voor de Istvaeonen. Ze gaan van een tribaal systeem met opperstammen en onderstammen over naar een politiek systeem waarin stammen steeds meer verbroederen en er een politieke elite gaat ontstaan. De politieke elite zal steeds grotere gebieden trachten te veroveren, maar de stammen zullen daarbij steeds minder geneigd zijn te verhuizen. Het zijn eerder de edelen en de krijgers die verhuizen om de bovenlaag van een veroverde stam of gebied te vormen.

Omdat de Ampsivaren, die aan de benedenloop van de Eems woonden, niet meevochten met Arminius geraakt hun relatie ten opzichte van de andere stammen verzuurd. Dat resulteerd in +58 uiteindelijk in de inname van hun gebied door de Chauken, die daarmee westwaarts hun gebied uitbreiden. Nadat ze verjaagd waren vragen de Ampsivaren om in de Achterhoek te gaan wonen dat Germanicus enkele decennia voordien had ontdaan van de Usipeten. Dat wordt hen geweigerd waardoor ze terug land moeten zoeken in het Istvaeoonse binnenland. Daar zijn ze echter niet welkom; hun krijgers worden afgeslacht en hun vrouwen verkocht als slaven. Daarmee zijn de Ampsivaren een van de weinige stammen die echt van de kaart worden geveegd. Niet veel later, de exacte datum is niet gekend, moeten de Bructeren het bekopen. De Bructeren, die voor een deel tussen de Lippe en de Eems wonen en voor een andere deel tussen de Eems en de Weser, moeten hun gebied afstaan aan de Chamaven en de Angrivaren die noordelijk van hen wonen. De Brukteren gaan dan gaan wonen in het land van de Tenkteren, die op hun beurt zoals eerder opgemerkt aan de Sieg gaan wonen.

Het land van de Friezen, Chauken en Avionen wordt vanaf +250 steeds meer geteisterd door stormen en overstromingen, het klimaat koelt er aanzienlijk af. Rond +286 wordt het verlies aan land in eerste instantie gecompenseerd met piraterij, waarbij de Friezen de Romeinse kusten teisteren, deze piraten noemen zich de Franken. Een groot deel van de Friezen verhuist echter naar de zuid – en oostkant van het IJsselmeer, in de Veluwe en in Salland, zij noemden zich de Salische Franken. De Chauken trekken op hun beurt echter westwaarts en veroveren daarbij Salland op de Salische Franken, waardoor de Saliërs verder naar het zuiden worden gedreven en de Rijn oversteken in Romeins territorium. In +297 mogen zij zich ten noorden van de rivieren tussen de Bataven en de Cananefaten vestigen.

De Chamaven adopteren in +289 de Frankische naam. Zij beginnen onder deze naam een coalitie. In +307 sluiten de Bructeren en de Chattuaren zich bij hen aan. Deze Franken voeren vanaf dan regelmatig aanvallen uit op het Romeinse rijk. Rond diezelfde tijd vormen de Avionen, de Chauken die tussen de Weser en Elbe wonen, de Cherusken, de Angrivaren en de kleinere stammen Dulgubiërs en Chasuaren de alliantie der Saksen. Zij verdrijven daarbij in +357 de Chamaven van hun grondgebeid. De Chamaven worden daardoor verjaagd naar het grondgebied van de Salische Franken, waarbij beide Frankische coalities zich verenigen. Daarop besluiten ze in het jaar daarop aan de zuidkant van de Rijn en Maas te gaan wonen in het Romeinse rijk. De Romeinen laten de Saliërs in +358 in het onvruchtbare Toxandrië wonen; vandaag bekend als Noord-Brabant en de Kempen. In ruil worden ze onderdeel van het Romeinse rijk in de vorm van een Foederati. De Chamaven moeten echter buiten het Romeinse rijk blijven. Als Franken opereren de Saliërs en Chamaven daardoor binnen en buiten het Romeinse rijk en kunnen daardoor meer stammen aan zich binden. Vanaf +364 sluiten ook de Tubanten aan, later zullen ook de Cugernen, Usipeten, Tenkteren, Ubiërs en Marsen zich bij de Franken aansluiten.

Vanaf +388 beginnen de verenigde Franken die buiten het Romeinse rijk wonen onder leiding van Marcomer, Gennobaudes en Sunno aanvallen uit te voeren. In +435 veroveren de Franken Trier, Keulen valt in +461. De laatste stamverhuizingen vinden dan plaats. Daarbij steken de Chattuaren in +455 de Rijn over en gaan in het gebied rond de Niers wonen. Naar hen zal later de Hettergouw genoemd worden. Rond diezelfde tijd breiden de Salische Franken onder leiding van Chlodio hun gebied uit tot aan de Somme. Een deel van hen verhuist van Toxandrië naar de oevers van de Schelde bij Doornik en Kamerijk; het grensgebied tussen de Nerviërs en de Atrebaten. Zijn afstammelingen Merovech, stamvader van de Merovingers, Childeric en Clovis zullen van daaruit heel Gallië veroveren. Clovis verenigt de Frankische stammen door de leiders van de stammen te doden zodat hij als alleenheerser overblijft en vormt zo het Frankische rijk.

De Chauken, die tot aan het IJsselmeer trekken zouden zich later ook Friezen noemen, we noemen hen vandaag de nieuwe Friezen. De Friezen ten westen van het IJsselmeer noemen we de oude Friezen. Het IJsselmeer monde echter een stuk oostelijker in de Noordzee uit dan vandaag de dag, waardoor de Friezen van Friesland tot de oude Friezen gerekend kunnen worden. De oude en nieuwe Friezen zullen in de zesde eeuw een Fries rijk oprichten. Karel Martel, stamvader van de Karolingers, zal dit rijk in +734 bij het Frankische rijk voegen. Twintig jaar later verovert hij ook het rijk van de Saksen en verenigt zo op een bloedige manier terug de Istvaeoonse stammen.

Vanaf dan begint de politieke geschiedenis, waarbij koningen los van hun volk strijden om de macht. De geschiedenis volgt dan niet meer de stammen, maar de levens van de heersers, in het feodale Europa. Althans tot aan de twintigste eeuw waarin volksverhuizingen weer aan de orde zijn; tewerkgesteld door vooruitgang in het vervoer, cultureel verval en door massamigratie uit de gedekoloniseerd landen.

LLOEGYR

In mijn interpretatie van de Istvaeoonse geschiedenis bespreek ik alleen de Istvaeonen van het vaste land; al merkte ik in het begin ook een groep op die zich in Man en Ierland vestigde en aldaar een koninkrijk stichtten. De Istvaeonen van Engeland heb ik echter niet opgenomen in mijn geschiedschrijving. Het is mijn interpretatie dat de Engelsen reeds voor de Romeinse tijd, dus voor de invallen van de Belgische stammen en later de Saksen, Angelen en Juten, Germanen waren. Of dus tot het volk behoorde dat in hoofdzaak de R1b/I1 chromosomen dragen. Ik heb aanwijzingen gevonden dat de Engelsen bezuiden de Theems een Istvaeoonse afstamming hebben en de Engelsen boven de Theems een Ingvaeoonse. In de vijfde eeuw gingen de Saksen in het zuiden van Engeland wonen en de Angelen in het noordelijke deel. Gezamenlijk heet hun land Lloegyr. De rest van Groot-Brittannië deelt overduidelijk de genen van de originele Aurignaciërs. Dat komt omdat Albion in der tijd nog aan het vasteland hing toen de Aurignaciërs naar het noorden trokken. Het noorden en het westen van Engeland, Cymry en Dumnonia, horen niet bij Lloegyr. Lloegyr is met de overstroming van Doggerland afgesplitst van de andere Germaanse volkeren. Maar er moet altijd veel contact geweest zijn.

CULTUS VAN DE LAGE LANDEN

Sommige geschiedkundigen geloven dat de Lage Landen een eigen cultuur hadden die los stond van de Keltische en Germaanse, een cultuur die beide eigenlijk voorging. Deze theorie staat bekend als het Noordwestblok, dat het levenslicht ziet in de Elp en Hilversum cultuur. Er zou zelfs een eigen taal worden gesproken, los van het Germaans en Keltisch, dat nog steeds door enkele hedendaagse toponiemen wordt vertegenwoordigd. Hun cultuur wordt gekenmerkt door lage grafheuvels, die later worden vervangen door de crematie van de doden in eenvoudige urnen. In de streek worden lange huizen gebouwd, waarbij woning en vee allen onder hetzelfde dak leven. De typische Vlaamse fermette dus, dat nog steeds terecht door zoveel mensen als het ideaal wordt gezien. Niet voor niets zal onze bevolking de genen tegen lactose-intolerantie ontwikkeld hebben. De koeien werden ’s winters warm gehouden in de huizen zodat ze meer melk produceerden en men er kaas van kon maken. De Elp cultuur vindt plaats van -1800 tot -800, de Hilversum cultuur van -1800 tot -1200. Na -800 komen de Lage Landen in de invloedssfeer van de Hallstad cultuur dat ontstond aan de bovenloop van de Rijn en Donau. Vanaf -450 tot -100 wordt het Istvaeoonse zuiden overgenomen door de Keltische La Tène cultuur, terwijl de Germaanse Harpstedt cultuur van -600 tot -100 het noorden beïnvloed. Aangezien alle Istvaeoonse stammen zich rond -50 met de Germanen associëren, zal de Harpstedt cultuur de La Tène cultuur hebben vervangen.

In het land van de Istvaeonen komen aan het begin van onze jaartelling tal van matrones in de vorm van votiefstenen voor, niet minder dan 1100 zijn er reeds opgegraven. Alleen in het land van de Istvaeonen komt zo’n hoge concentratie aan matrones voor. Er was dus wel degelijk sprake van een cultus van de Lage Landen. De matrones zijn drie goddinnen die steeds samen worden afgebeeld. Ze worden geassocieerd met de Germaanse disir, walkuren en nornen. De disir zijn vrouwelijke beschermgeesten die de stam en hun leden bijstaan. De walkuren zijn geesten die de gesneuvelden van het slagveld komen halen. De nornen tenslotte zijn de drie lotsgodinnen; waarvan er eentje voor het verleden staat, eentje voor het heden en eentje voor de toekomst. De eerste noemt Lot, het verleden staat immers vast. De tweede noemt Worden, waarin we de invloed die het verleden op ons heeft ombuigen naar onze wil. De derde noemt Schuld; wat niet wordt bedoeld als schuldig zijn aan iets, maar als hetgeen dat zal zijn navenant ons actief of inactief handelen. Persoonlijk associeer ik Lot met vrouwe Holle, Worden met een vruchtbaarheidsgodin of moederfiguur en Schuld met de godin Hel. Tal van godinnen die de Istvaeonen vereerden worden met de matrones geassocieerd. De bekenste zijn de oorlogsgodin Baduhenna die de Friezen vereerden, de wijdverspreide vruchtbaarheidsgodin Tanfana van de Marsen, de vruchtbaarheidsgodin Nehalennia van de Cananefaten en de beschermgodin Arduinna van de Ardennen. De gekerstende versie van de matrones vinden we in de Drie Maria’s. Ik wil hier aanmerken dat vandaag de dag de Mariaverering op het platteland nog steeds de meest levendige cultus is van onze contreien, die uiteraard een vruchtbaarheidsgodin is of de norn Worden. Eens men de grens met Duitsland oversteekt ziet men overal Jezussen op het platteland. Ook dient hier ene Veleda vermeld te worden. Veleda of de Veleda, was een Brukteren Volva, die in de eerste eeuw grote roem kende als zieneres. Mannen die magie bedreven, riten begeleidden of recht spraken trokken het gewaad van een vrouw aan; zoals de soutane van een priester of de toga van een advocaat.