Karelskroon

Schutter & Eigenerfde

VOORSPELLING

Het is moeilijk om te voorspellen hoe lang het allemaal zal duren, maar als ik naar onze tijd kijk zie ik dat de gloriedagen van het postmoderne reeds achter de rug zijn en het primordiale her en der reeds de kop opsteekt. Het einde van de postmoderne tijd lijkt in zicht te komen. De vraag is of er nog een dictatoriaal Avondland in het verschiet ligt, of dat de unie als een gefaalde staat uit elkaar spat voor het zover is. De postmoderne deconstructie dat alle waarden ontwaard door ze gelijk te schakelen, waardoor de hiërarchieën in de cultuur stelselmatig worden ontmanteld, brengt de cultuur alleszins tot zijn einde. Inclusief het postmodernisme, dat de laatste cultuurperiode is. Deze deconstructie kende drie fasen. In de eerste fase werden de constructies van de voorgaande modernistische periode ontmanteld. In een tweede fase werd de ganse cultuur tegen het licht van het deconstructivisme gehouden. De deconstructie werd door de deconstructivisten echter zodanig eigen gemaakt dat ze in een derde fase ook de natuurlijke waarden gingen ontwaarden, die aan het oppervlak kwamen eens de cultuur was afgeschraapt. Maar daarnaast was er ook de reconstructie dat de teloorgegane ziel van het volk terug tot leven wilde wekken door terug te gaan naar de bron van de cultuur. De romantische reconstructie ging gepaard met het onderzoeken, optekenen en tentoon spreiden van de archaïsche cultuur. In de daaropvolgende moderne reconstructivistische fase zagen allerlei organisaties het levenslicht die de archaïsche cultuur terug tot leven wilde wekken. Sommige van deze groepen legden de nadruk op authenticiteit, andere groepen zagen het archaïsche eerder als inspiratiebron. Tenslotte kwam er de primordiale reconstructie dat de reconstructies ontmaskerde als constructivisme. De prehistorische genetica, die pas sinds 2015 echt tot ontwikkeling kwam, nam daarin het voortouw.

Eenmaal de natuurlijke waarden werden ontwaard verloor het postmodernisme zijn aanzien en kwam haar destructieve neiging aan het licht. Het is dan dat velen voelden dat de sokkel onder hun voeten werd weggeblazen en er niets meer was om op te staan. Men ging rond zich heen grijpen naar een houvast dat hen richting kon geven. Enerzijds gingen velen exotische spiritualiteit omarmen, maar zij kwamen tot het besef dat hun ziel er vaak niet compatibel mee was of dat het exotische geen voedingsbodem kon vinden in hun thuisland. Anderzijds zou je denken dat de reconstructivisten een alternatief boden, maar de oprechte studiegenoot kon echter geen pasklaar antwoord geven. Heidendom bleek geen hapklare levensweg. Het had veel te bieden en was echt interessant, maar tot het heidendom terug uit een levende cultuur voortkomt zal de reconstructie altijd net iets te veel als een constructie overkomen en dus geen vaste grond onder de voeten geven. Heidendom zal terugkomen, maar het zal van onderuit moeten ontstaan, met rudimentaire animistische waarden en normen, die in de dedomesticatie naar boven komen. Deze waarden en normen noem ik verschijnselen. De reconstructie zal zijn bijdrage leveren aan deze verschijnselen, maar het zal niet in zijn geheel en voor het ganse volk overgebracht worden. Daarvoor is de moderne reconstructie ook te veel versplinterd in te veel strekkingen. Ik zie dat er in deze tijd reeds her en der primordiale tendensen zijn. Vooral onder mensen met een open geest, die voorbij hun eigen pijn kunnen kijken en zien wat er zich buiten de periferie bevindt; in het achterland. Het is nog klein en versplinterd, maar eenmaal het kaartenhuisje in elkaar valt kan het wiel snel overschakelen naar het primordiale tijdsvlak.

KLASSENSTRIJD

Dit verhaal begint in de goede oude tijd van onze verre voorouders; in een wereld voor de Romeinen onze contreien veroverden, ons probeerden te civiliseren en tot op de dag van vandaag een einde brachten aan de oerdemocratie die zoveel zegt over onze volksziel. In de paganistische cultuurtijd van ons volk waren er drie klassen: de thralls of horigen, de karls of kerels en een hogere klasse van genezers, zieners, rechtsprekers en muzikanten, die we als druïden kunnen aanduiden; hoewel dat historisch niet helemaal correct is. Het zwaargewicht van deze oude samenleving lag bij de kerels. Zij waren wat we in de middeleeuwen vrije boeren zouden noemen. Eigenerfde die op z’n minst voldoende land in bezit hadden om hun gezin mee te voeden. Naast landbezitters waren zij ook strijders, zij moesten immers in staat zijn hun eigen land te verdedigen. Tenslotte waren zij naast strijder ook vergader – en stemgerechtigde in het democratisch proces. De kerels waren in feite de wetgevende macht. In iedere stam stelden de kerels een jarl of graaf aan, die als functionaris de taken van de uitvoerende macht uitoefende. De graaf was de meest capabele kerel van de stam. Om zijn taken uit te voeren reisde hij rond in zijn stamgebied, logerend bij de meest vooraanstaande kerels. Werd de graaf incapabel geacht dan werd hij door de kerels afgezet en werd er een nieuwe graaf aangesteld. De druïden, die net zoals de graven rondreisden om hun diensten aan te bieden, vertegenwoordigden de rechterlijke macht.

Kerels die op de een of andere manier hun eigendom verloren werden noodgedwongen horigen. Hun eigendom konden ze verliezen door natuurrampen, doordat hun bezit werd ingelijfd door naburige stammen of als wederdienst voor een zware misdaad die ze begaan hadden. In dat laatste geval kreeg het slachtoffer, of ingeval van moord de familie, het eigendom in bezit. Een horige was in feite een landloze of iemand die onvoldoende land bezat om zijn familie mee te voeden. Om zichzelf en zijn familie te voeden moest hij zijn diensten aanbieden bij een kerel, die meer land bezat dan hij nodig had. In ruil voor eten en een plek om te wonen werkte de horige als knecht op het land van de kerel. Op het eerst gezicht lijkt dit een brutaal systeem, zeker wanneer een kerel horige werd door het toedoen van een vijand, door een natuurramp of doordat zijn ouders reeds horigen waren. Maar als we beseffen dat er geen zorgstaat was en dat al het vruchtbare land iemands gezin in leven hield; dan waren alle nieuwe horigen tot last van een kerel. Het lijkt mij niet meer dan eerlijk dat de kerel als weldoener in ruil voor het afstaan van een deel van zijn land een wederdienst vroeg. Naast de uren dat de horige op het land van zijn heer moest werken maakte hij handwerk. Het is met de opbrengst van dit handwerk dat de horige terug eigendom kon verwerven. Vanaf het moment dat hij voldoende eigendom bezat om in zijn eigen levensbehoefte te voorzien werd de horige terug kerel. Zo zat het systeem in elkaar. Als horige verloor hij zijn stemrecht, maar hij was ook geen strijder en moest dus niet meevechten met de stam als de kerels dit zo beslisten in hun vergadering. Ook dit is in feite geen slecht systeem, omdat alleen de kerels echt iets in de weegschaal te leggen hadden. De horigen konden immers niet verliezen wat ze niet bezaten. De horigen zouden in tegendeel meer te winnen hebben bij een oorlog, omdat zij dan net als de middeleeuwse Vikingen land konden veroveren. Dat zou op zijn beurt echter het evenwicht tussen de stammen te veel in het gedrang hebben gebracht. Het is weliswaar aannemelijk dat aan de randen van de stamgebieden dit schering en inslag was door de actie van individuele horigen; er is een reden dat de kerels op scherp stonden.

Nadat de Romeinen onze contreien veroverde en hier hun cultuur inplantten vluchtte een deel van de bevolking naar het noorden van de Lage Landen en naar de Britse eilanden; terwijl ons land in eerste instantie zwaar werd belast om geleidelijk aan te evolueren naar slavenplantages. Degenen die naar het noorden trokken werden de Friezen of vrijen; zei die vrij leefden, in contrast met zij die leefden onder het Romeinse gezag. Ons verhaal verplaatst zich hier naar het land van de Friezen, terwijl de blijvers gedurende de Romeinse periode voor eventjes onder hun stolp leefden, alvorens de geschiedenis zich in onze contreien hervat.

Voor de Romeinen waren alleen de kerels strijder en zij streden alleen als dat echt nodig was. Bijvoorbeeld tegen de invallende Romeinen die ons allemaal bedreigden of wanneer de Romeinen de belasting zodanig verhoogden dat de kerels hun eigen gezin niet meer konden voeden. Niemand anders dan de kerels zelf beslisten in hun democratische vergaderingen, of dus op het ding (dinsdag), of ze al dan niet het gevecht waard vonden. Het waren dus de strijders zelf die hun eigen leven op de waagschaal legden. Eenmaal de Romeinen onze contreien hadden veroverd en ook veroveringscampagnes organiseerden aan de andere kant van de Rijn kon men het oude systeem niet meer handhaven. De strijdende kerels waren simpelweg niet opgewassen tegen de beroepslegers van de Romeinen en hun organisatietalent. Om de Romeinen het hoofd te kunnen bieden sloot ons vrije volk grotere militaire coalities en stelden een permanent leger in. Een deel van de wolfhuiden werden de beerhemden. De Friezen die ten oosten van de Zuiderzee woonden verenigde zich samen met de Tubanten en de Chamaven tot de Franken. De Chauken, Avionen en Angrivaren werden de Saksen. Naast het feit dat ze elkaar bestreden konden ze uiteindelijk ook de Romeinen verdrijven. Het kwaad was echter geschied. De staande legers werden niet ontmanteld na de val van het Romeinse rijk, maar bleven staan onder bevel van de graaf. Voorheen konden de kerels met hun geweldsmonopolie en democratie de graaf afzetten als zij vonden dat een ander het beter kon doen. Die macht is tijdens de Romeinse periode echter naar de graaf verschoven en zou tot op de dag van vandaag nooit terugkeren naar het volk. Wie de democratie echt wil herstellen moet het geweldsmonopolie terug aan het volk geven, alle andere maatregelen zijn zinloos. De graaf kon vanaf dan zijn kinderen op de troon houden. Zij noemden zichzelf dan wel aristocraat, maar van echte aristocratie was er geen sprake. Dit luidt in mijn verhaal de intrede in van de middeleeuwen.

De Romeinen worden uiteindelijk ook aan de zuidelijke kant van de Rijn verdreven en de Franken nemen het bij ons over. De Merovingische dynastie brengt uiteindelijk het Frankische rijk tot stand en verenigd met bloedige oorlogen ons volk onder één god en één almachtige leider. In de opeenvolgende generaties wordt de graaf koning en de koning wordt keizer. De koning en al zijn kinderen worden in die periode een maatschappelijke klasse op zichzelf. Die kinderen krijgen overal machtsposities toebedeeld. Eigenlijk is de ganse middeleeuwse periode van het begin tot de Franse revolutie een machtsoverdracht waarbij de klasse der kerels en de klasse der druïden het onderspit delven. Druïden, die nog meer dan kerels beschermers zijn van de oude orde, worden heksen en duivelsaanbidders. In den beginne worden zij over de kling gejaagd, later wanneer de macht van de adel totaal is worden zij publiekelijk terechtgesteld en feestelijk op de brandstapel gesmeten. De adel vervangt de druïde door een priester van eigen rangen. Door oorlog en belasting wordt ervoor gezorgd dat de kerels stelselmatig hun land moeten verkopen of afstaan aan wie ze belasting moeten betalen. De kerels worden daardoor horigen en de lagere adel worden als herenboeren in feite kerels. De maatschappelijke klasse van de steeds groter wordende adel sijpelt eigenlijk steeds meer naar beneden op de maatschappelijke ladder, waardoor ze enorm begint te wegen op de samenleving en de horigen een miserabel leven leiden. Uiteindelijk zijn er geen kerels en druïden meer, maar alleen maar adel en horigen. De horigen leven echter niet alleen van het land, maar net zoals in de oude tijd, ook van hun handwerk. Uiteindelijk zal dat handwerk hun redding worden. Gedurende de middeleeuwen worden de handelsplaatsen waar het handwerk wordt verruilt of verkocht kleine stadjes. Veel horigen, die dusdanig onderdrukt worden op het platteland, vinden in die stadjes een permanent onderkomen en slagen erin zich enkel toe te leggen op hun handwerk om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo groeien de stadjes tot steden en de horigen worden poorters; burgers van hun stad. Zo ontstaat een nieuwe klasse, die het beter heeft dan de horigen van het platteland. Boeren worden in de stad ambachtslieden en handelaars.

Steden eisen steeds meer rechten op, waardoor de macht van de koning daalt. Zo wordt de macht van de steden uiteindelijk groter dan de macht van het platteland. Dit leidt uiteindelijk tot vele revoluties waarvan de Franse het kantelpunt vormt. De rijkere poorters weten de staat op te richten, waarbij een soort van democratie vorm krijgt. In eerste instantie werd de staat en de democratie alleen geregeerd door de poorters. Horigen die van het platteland naar de stad trokken kregen in eerste instantie niet het recht om deel te nemen aan de democratie. Er komt dan een trend op gang waarbij steeds meer lagen van de bevolking mogen deelnemen aan de democratie, een trend die zich tot op de dag van vandaag voortzet; waarbij kosmopolieten vandaag eisen dat ook vreemdelingen en minderjarigen stemrecht krijgen. De schijn wordt gewekt dat steeds meer mensen aan de democratie mogen meedoen. Maar er is echter ook een omgekeerde evolutie aan de gang, waarbij door propaganda, ideologie en partijpolitiek een steeds kleinere groep welgestelden de touwtjes in handen houden. Met de verdeel en heers methode slagen zij erin de aandacht van zichzelf weg te houden, waardoor veel mensen in de waan blijven leven dat ze nog iets in de pap te brokken hebben. Het heeft er alle schijn naar dat onze democratie in werkelijkheid een schijndemocratie is. Het volk is niet aan de macht. De kerel is niet in ere hersteld. Anders zou het volk ten eerst een stuk onbelast land in bezit hebben om in zijn levensonderhoud te voorzien en ten tweede het geweldsmonopolie in handen hebben. De revoluties werden georganiseerd door schutterijen, dat een equivalent was van de krijgsmilities, maar deze werden al snel na de vorming van de staat vervangen door een beroepsleger. Sommige schutterijen overleefden in het verenigingsleven, waarbij zij alleen tijdens carnaval nog even konden opdraven. Ik denk dat er in het begin van de moderne tijd goede intenties waren en een kans was om de democratie in ere te herstellen, maar het is nooit echt van de grond gekomen omdat de rijkere poorters reeds van den beginne hun afkomst hebben verloochend. Het afgeroomde volk wordt steeds meer tot onderdaan van de staat, terwijl een klasse zoals de adel zich terug in het zadel lijkt te heffen. Sommigen noemen dit het neofeodalisme.

MIJN VOLK

Het volk is niet de bevolking van een land, maar een groep mensen die doordat ze in dezelfde streek wonen en dezelfde cultuur dragen over vele eeuwen verwanten zijn geworden. Soms zijn de culturele verschillen te groot dat er geen verwantschap optreedt, ook al leven ze in dezelfde streek. Zoals bij de Antwerpse Joden het geval is. Dit is meteen het gevaar van het multiculturalisme. De samenleving kan functioneren omdat de Joden een getolereerde minderheid zijn. Worden de gesepareerde groepen echter de norm, dan wordt de multicultuur een conflictcultuur, in zo’n situatie is er immers geen hoofdgroep meer die kan tolereren of bemiddelen. Dan is het ieder volk voor zich. Kosmopolieten, die de multicultuur voorstaan, zien dit gevaar ook. Zij zien hun heil in de bekering, dat van ons allen karakterloze globalisten moet maken. Maakt dat echter een beter leven? Tegenstanders denken dat het ons vooral weerloos maakt tegenover de machten die de democratie uithollen. Mijn ervaring doet mij eerder geloven in het standpunt van de tegenstanders; al heb ik ook niets met de identitairen, die gedachteloos achter de vlag van god of vaderland marcheren.

Een volk is in principe een grote aaneengeschakelde groep streekgenoten, die door de eeuwen heen historische en culturele banden met elkaar hebben en daardoor aan elkaar verwant zijn geworden. Het is echter moeilijk om een grens te stellen tussen familie en volk en tussen volk en bevolking. Het is dan dat de historische eeuwenoude cultuur en de aanhoudende contacten tussen de groepen een bepalende factor wordt.

Om de grens tussen familie en volk te bepalen moeten we de familiale groepen determineren. De laagste familiale groep is het gezin, dat bestaat uit een moeder en vader en hun kinderen. Zij wonen samen in een huis op een erf. Daarboven staat de familie, die bestaat uit de grootouders, hun kinderen en de kleinkinderen. Voor de industriële revolutie woonde de familie vaak in een cluster van dorpen in dezelfde streek, afhankelijk of de vrouw bij de familie van de man introk of omgekeerd. Verschillende gezinnen van dezelfde familie konden ook in hetzelfde huis wonen, dat dan vaak verschillende voordeuren had, of zoals in onze contreien gebruikelijker was, in achterliggende huizen op hetzelfde erf. Boven de familie is er de sibbe. De sibbe bestaat uit de broers en zussen van de grootvader, hun kinderen en kleinkinderen. Vandaag de dag is het niet meer gebruikelijk dat we nog contact hebben met onze verre neven en nichten, maar in de tijd dat het gebruikelijk was de streek waar we opgroeiden niet te verlaten kenden de meeste mensen wellicht een groot deel van hun sibbegenoten. Bij de honderdste verjaardag van de zus van mijn nu overleden grootvader werden alle sibbegenoten uitgenodigd, ik denk dat er toen een tweehonderdtal genodigden waren. Dat was de enige en laatste keer dat mijn sibbe bij elkaar kwam. In voorhistorische tijden was ieder dorp wellicht verbonden aan een specifieke sibbe. Als we nog verder teruggaan trokken de jagersverzamelaars wellicht rond in sibbegroepen. De sibbe is daarmee de natuurlijke familie. Dat ik in deze tijd nog een sibbefeest heb meegemaakt is eigenlijk uniek.

Boven de sibbe is er eigenlijk geen duidelijke familiale groep meer en dus komen we daar bij hetgeen we als de ondergrens van het volk kunnen beschouwen. De eerstvolgende groep is de stam. Daarvan zien we dat ze vaak geografisch aan elkaar verbonden zijn, waardoor ze met elkaar dezelfde levenswijze delen. We zien bijvoorbeeld dat de Nerviërs de zandleem en leemstreek bewoonden. Het is een glooiend landschap doorsneden door moerassige rivieren, terwijl de kouters vaak arm en zuur waren. In hun streek werden de dorpen gebouwd tussen de moerassen en de kouters, waarbij de dorpen bestonden uit hoeves met bijgebouwen rond een hof gebouwd. De naam Nerviërs zou daar ook naar verwijzen; als zijnde bewoners van het hof. De streek van de Menapiërs die ten noorden en westen van de Nerviërs bestond echter uit de moerassige zandstreek, dat doorkruist werd door grote meanderende rivieren en getijdengeulen. Daardoor hadden zij een heel andere levensstijl, teelden heel andere gewassen en dreven op een heel andere manier handel. De naam Menapiërs zou naar watermarkt te vertalen zijn. De Eburonen leefden dan weer aan de oevers van grote rivieren die doorheen diepe dalen een onvruchtbaar land doorsneden; terwijl de Bataven en Cananefaten op eilanden leefden in de grote rivierdelta van Rijn en Maas. Het is voor mij duidelijk dat de families die dezelfde levensstijl hadden elkaar in eerste instantie opzochten en met elkaar handel dreven, waardoor op den duur de stammen zijn ontstaan. De stammen zijn voor mij de ondergrens van wat we als een volk kunnen beschouwen. Door hun onderlinge contacten adapteerden de stammen wellicht dezelfde cultuur die in een gegeven tijd gangbaar was. Ook taal behoorde tot de cultuur dat geadapteerd werd. De stam was wellicht ook belangrijk om incest tussen de families te vermijden, waarbij er jaarlijks een aantal feesten doorgingen, waarbij mannen en vrouwen van verschillende families en sibbes elkaar konden leren kennen. Zoals de powwow bij de Amerikaanse inboorlingen.

Op dezelfde manier waarop de families zichzelf verbonden tot stammen verbonden de stammen zich in coalities. Zo weten we dat de Nerviërs bestonden uit een aantal onderstammen waarvan we alleen de namen kennen. Er waren echter vier versterkte plaatsen verspreid over het stamgebied. Het is aannemelijk dat de Nerviërs origineel uit vier onderstammen bestonden. De Nerviërs waren verder niet aangesloten bij een grotere coalitie, wat wellicht de reden was dat ze als een woest volk werden beschouwd. De Eburonen waren dat wel. Zij waren lang de baas over de in de Ardennen wonende stammen, met name de Pemanen, Condrusiërs, Cerezen en Ulmiërs. Deze stammen woonden stroomopwaarts in dezelfde valleien als de Eburonen waar ze wellicht al voor eeuwen handel mee dreven. Ook de Menapiërs hadden een grote handelszone dat zich langs een groot deel van de Noordzeekust uitstrekte. Verschillende stammen vielen naar mijn bevindingen onder hun bewind, zoals de Cananefaten en Bataven. Deze coalities noem ik de grootstammen. Deze grootstammen werden door de Romeinen gebroken, maar zagen terug het levenslicht in de Franken, de Friezen en de Saksen; met het verschil dat deze laatstgenoemden wellicht eerder een militair doeleinde hadden dan dat handel de insteek was. Het is aannemelijk dat doorheen de eeuwen zulke coalities oprezen en neervielen.

Als we naar een langere periode kijken zien we dat de stammen onderling steeds met dezelfde stammen contact zochten, waardoor we hen kunnen plaatsen in een zeker gebied. Ook de Germaanse volksverhuizingen in onze contreien vinden enkel plaats in dat gebied die de stammen al eeuwen met elkaar deelden. Daarnaast zien we dat het steeds dezelfde stammen zijn die coalities met elkaar vormen om bijvoorbeeld de Romeinen aan te pakken. Als we naar dat gebied kijken dan zien we veel geografische overeenkomsten. Het is een kustgebied dat bestaat uit grote rivieren en een uitgestrekt moerassig laagland waarvan de rivieren hun bron hebben in diep doorsneden heuvels. De oostgrens loopt grosso modo gelijk met de grens tussen het gematigd zeeklimaat en het gematigd landklimaat, terwijl de zuidgrens zich kenmerkt door het einde van het laagland bij Boulogne. Als we dan cultuurhistorisch kijken zien we dat de zuidgrens ook de grens is waar Germaanse plaatsnamen overgaan in Keltische plaatsnamen en dat deze grens ook de bovengrens is van de wijnbouw en de ondergrens van de bierstreek. Het gebied waar de stammen zich al eeuwen verhouden tot elkaar komt bovendien ook overeen met het gebied dat toegeschreven wordt aan de Istvaeonen en waar sommige het culturele Noordwestblok situeren, dat met een eigen taal en cultuur te distantiëren valt van de Kelten en Germanen; zijnde de Hilversum – en Elpcultuur.

In de recente tijd zijn er veel doorbraken in het onderzoek rond de genetische geschiedenis van de volkeren. Hoewel de puzzelstukken nog steeds in elkaar worden gezet en de ganse geschiedenis nog in haar kinderschoenen staat is de genetische diversiteit van de Europese landen reeds in kaart gebracht. De landen Noorwegen, Duitsland, Zwitserland en Italië vormen de oostgrens van de landen waarvan het mannelijke R1b Y-DNA procentueel gezien het hoogst is. We kunnen dus stellen dat deze West-Europeanen met primair R1b Y-DNA de bovengrens is van ons volk. Het werd naar onze contreien gebracht tussen -3000 en -2000 door de Indo-Europese Kaukasische jagersverzamelaars van de Yamnacultuur, die op de Pontische steppe leefden. Zij brachten er de Klokbekercultuur tot stand. (De R1a Oost-Europeanen hebben hun oorsprong aan het Baikal meer in Siberie, in de Yamnatijd leefden zij ten noorden van de Pontische steppe.) Daaronder kunnen we nog verder differentiëren door te zoeken naar het secundaire en tertiaire Y-DNA tot op een punt dat het niet meer relevant is. Uiteindelijk zijn alle mensen individueel verschillend. Als we dit doen zien we dat de Belgen, Nederlanders en Engelsen genetisch overeenkomen met 60% R1b en 25% I1 Y-DNA; de overige 15% bestaat uit een hele resem andere Y-DNA genomen, die voor ons niet uitgesproken zijn. De kosmopolieten hebben wel degelijk gelijk als ze stellen dat we genetisch een grote soep zijn, maar uit deze recente ontwikkelingen blijkt dat het soepaandeel toch eerder beperkt is. Bij de ons omringende volkeren die dezelfde combinatie en volgorde aan genen dragen zijn de verhoudingen 45%/30% bij de Duitsers en Denen, 80%/15% bij de Ieren en Kymriërs, 70%/15% bij de schotten, 60%/15% bij de Fransen, 30%/30% bij de Noren en 40%/30% bij de IJslanders. Dit zijn echter landelijke screenings, per land zijn er ook nog verschillen; die de noord Fransen bijvoorbeeld eerder Belgen maken en de zuid Fransen eerder Spanjaarden. Het is maar een ruwe schets, die in de komende jaren aangescherpt zal kunnen worden.

Na de val van het Romeinse rijk werden stammen minder belangrijk, hoewel ze nog enigszins doorschemeren in onze provincies. De coalities die initieel tussen de stammen werden aangegaan werden belangrijker. De grenzen die daarna ontstonden zijn puur politiek van aard. Het gaat er dan niet meer om welk volk waar leeft, maar welke heerser heerst over welk gebied. Onze geschiedenis wordt dan ook grotendeels door de bril van de machthebbers bekeken, waarbij het belangrijker is dat we de koning van dit of dat land kennen dan iets over het volk te leren. Door toedoen van de adel en de staatsvorming is ons volk eerder willekeurig versneden geraakt in aparte landen. Het nationalisme werd daarin een politieke stroming dat trachtte om de bevolking terug aan elkaar te lijmen; ook al representeert de bevolking maar een klein deel van het volk of leven er verschillende volkeren in hetzelfde land. Ik beschouw politieke en nationalistische grenzen als irrelevant wat de aanduiding van het volk betreft.

Het is nu duidelijk dat de aanduiding van het volk een keuze is, maar het is geen willekeurige keuze. Ze moet gezocht worden tussen de ondergrens en bovengrens van het volk in de natuurlijke opeenvolgende hiërarchie tussen de twee uiteinden van het spanningsveld. De ondergrens is de stam. De bovengrens is voor ons West-Europa. Alles in ogenschouw nemend ligt mijn keuze in dat deel van het culturele gebied van de Istvaeonen dat overeenkomt met de 60% R1b / 25% I1 erfelijke zone. Daarmee wordt de oostelijke grens gevormd door de Eems en de Rijn, terwijl de zuidgrens door de Otie wordt gevormd en in de zuidelijke heuvels van de Ardennen en de Eifel ligt. De west – en noordgrens wordt natuurlijk gevormd door de Noordzee. Dit gebied komt grofweg overeen met België, Nederland, het Noord-Nauw van Kales in Frankrijk en het in Duitsland gelegen Noord-Rijnland. In het hoofdstuk Istvaeonen ga ik uitgebreid in op de geschiedenis van de Istvaeoonse stammen.

NATIVISME

Ik vindt van mezelf dat ik het recht heb overal ter wereld te gaan wonen waar ik dat zelf wil. En aangezien ik mij niet beter voel dan een ander, vindt ik dat iedereen dat individuele recht zou moeten hebben. Voor mij zouden de grenzen dus wagenwijd open mogen staan en zou er absoluut geen sprake mogen zijn van gesloten centra voor asielzoekers, laat staan van nieuwkomers te deporteren. Langs de andere kant vind ik het mijn plicht om voor mezelf in te staan als ik van dat recht gebruik maak om elders te gaan wonen. Ook dit zou evenredig voor iedereen moeten gelden. Alleen in het gebied van mijn eigen volk heb ik het recht om hen tot last te zijn. Zij hebben immers historisch bepaald in welke soort van beschaving ik moest geboren worden en welke soort van mensen daarbij uit de boot vallen; dat komt met een zorgplicht. Alleen voor een vluchteling zouden er soepelere regels moeten bestaan. Zolang de vluchteling niet terug kan naar het land van zijn volk heeft ook hij het recht op bed, bad en brood. De vluchteling is echter alleen vluchteling in het eerste land dat hem veiligheid kan bieden. Gaat de vluchteling van dat land naar een ander land, dan vervalt zijn recht op zorg. Een vluchteling heeft recht op veiligheid, maar heeft geen recht om wereldwijd het land uit te kiezen dat hem het meest zint.

Wat wilt dit nu concreet zeggen? Mijn voorouderlijke lijn maakt dat ik een bloedband heb met een bepaald volk. Deze band en alleen deze band maakt mij lid van mijn volk. Mijn volk schept een bepaalde maatschappij met rechten en plichten. Als lid van mijn volk heb ik op een redelijke manier recht op de rechten en als ze redelijk zijn moet ik gehoorzamen aan de plichten. Ik kan nooit lid worden van een ander volk dan het mijne. Als ik dus verhuis zal dat van mij een expat maken. Ook mijn kinderen die geboren worden in het land van dat andere volk blijven expat. De rechten en plichten van de expat worden enerzijds bepaald door het volk, anderzijds door internationaal recht. Ik zou bijvoorbeeld zeggen dat expats onder tijdelijke contracten kunnen werken, die maximum om de 2 jaar en minimum elke zes maanden kunnen vernieuwd worden. Of zij kunnen met een eigen bedrijf hun geld verdienen. Wanneer hun contract niet meer vernieuwd wordt of wanneer zij niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien met een eigen bedrijf dienen zij terug te keren naar hun eigen volk, zodat ze het gastland niet ten last zijn. Ik denk dat dit een redelijke plicht is. Zij kunnen door te werken en belasting te betalen nooit lid worden van het gastland, ook krijgen zij geen pensioen. De belastingen die zij betalen moeten gezien worden als de wederdienst die zij doen om Überhaupt in het gastland te hebben kunnen werken. Ik vind deze regeling het meest rechtvaardig en dat zou dus overal kunnen toegepast worden. Wij hebben ons land ingericht zoals het is. Zouden wij mensen die naar hier willen komen dezelfde rechten geven als ons, dan wordt het gelijkheidsprincipe geschonden, de expat zou in dat geval immers profiteren van de moeite die wij en onze voorouders in onze samenleving hebben gestopt. Moeite die hij en zijn voorouders hebben nagelaten. Mijn redenering gaat natuurlijk uit van de erkenning dat ik en mijn voorouders een continuerend geheel zijn; deze redenering gaat de mist in wanneer we de individuele mensen als een onbeschreven blad zien zonder wortels.

Natuurlijk zijn er twee voorname uitzonderingen. Ten eerst kunnen we als gastheer niemand laten sterven op de straatstenen. Maar in de plaats dat zij gelijke rechten krijgen als de verschoppelingen van ons eigen volk, die recht hebben op een uitkering en sociale huisvesting, zouden zij voor een bepaalde periode enkel recht hebben op bed, bad en brood. Dit van nacht tot nacht tot ze met geleend geld of geld van hun familie of volk terug huiswaarts kunnen keren. Ten tweede kan de expat hier iemand leren kennen die lid is van het volk. Zij moeten echter trouwen voor de wet om zelf ook lid te kunnen worden van het volk en dus dezelfde rechten te kunnen verwerven. Wanneer zij scheiden krijgen zij echter terug het expat statuut. Hun eventuele kinderen worden natuurlijk wel permanent lid van het volk aangezien ze verwanten zijn.

Vandaag de dag zitten we met de asielcrisis gevangen in nationalistische denkbeelden waar geen touw aan vast te knopen is. Het is heel onduidelijk wie wel of niet lid van het volk mag worden en er dus de vruchten van mag plukken. Dat hangt vaak af van de politieke wind die doorheen het land waait. Het nativisme dat hierboven uiteen is gezet biedt die duidelijkheid wel en gooit het over een heel andere boeg. In de plaats dat de grenzen moeten gesloten worden en mensen hier illegaal worden verklaard en in kampen worden gestopt legt het nativisme het probleem niet bij de instroom van migranten, maar pakt eerder de naturalisatie aan. Of stopt in feite de naturalisatie, waardoor de expat veel duidelijker weet welke kansen hij hier heeft en welke kansen hij hier niet heeft. Een expat weet dan dat hij hier zal moeten werken of van zijn spaargeld zal moeten leven en dat hij hier naar alle waarschijnlijkheid maar voor een bepaalde tijd zal kunnen verblijven. Zijn doel om hier te komen werken is om later een beter leven te hebben in zijn thuisland of om als werkende reiziger of student dit stukje van de wereld te ontdekken; of indien hij geluk heeft hier zijn geliefde te vinden.

Eigenlijk kunnen we dan heel dat nationalisme overboord gooien. Het is toch maar de conservatieve variant van het kosmopolitisme en er dus de ideale kweekvijver voor. Als we in de plaats daarvan het nativisme omarmen maken we onze cultuur ook meteen terug vrij. Uiteindelijk draait nationalisme alleen maar rond het behoud van ‘onze’ identiteit en giet in de loop van zijn korte bestaan (voor de kosmopolieten alles weer globaliseren) onze cultuur in regeltjes en wetgeving. Maar een cultuur leeft. De cultuur van vandaag was niet degene van vorige eeuw en de cultuur van morgen zou niet in de dwangbuis van de cultuur van vandaag moeten gestopt worden. Het nativisme maakt de cultuur vrij omdat cultuur geen voorwaarde meer is voor lidmaatschap van het volk. In het nativisme hoeft de politiek zich simpelweg niet met cultuur te bemoeien.

In de basis is het volk voor de nationalisten de bevolking van het land. Daarbij wordt de bevolking in goede en slechte onderdanen verdeeld, waarbij de goede zich aan de waarden en normen van het land onderwerpen. De slechte onderdanen zijn degenen die de waarden en normen van hun moederland aanhouden; ook als ze de oorspronkelijke inwoners zijn. Nativisme stelt daarentegen dat het volk de volkeren zijn die oorspronkelijk in het land leefden. Zij hoeven zich niet te onderwerpen aan het land, daar het niet de waarden en normen zijn die hen burgers maakt, maar hun bloedband. In die zin zijn er geen goede of slechte burgers in het nativisme. In België zijn er drie oorspronkelijke inwoners: de Joden van Antwerpen en de Galliërs uit Vresse-Sur-Semois en de Gaumestreek; de anderen zijn Istvaeonen.

ARISTOCRATIE

Als ik zeg dat alleen een aristocraat een goeie democraat is, dan zou het nu duidelijk moeten zijn dat ik niet bedoel dat de democratie er enkel voor de adel zou moeten zijn. Wat ik onder aristocratie versta, en ik wil daarmee dit woord in ere herstellen (achter dat het zo lang misbruikt is door de adel), is wat aristocratie letterlijk wil zeggen: macht aan de besten. De besten dat zijn niet degenen die een bepaalde titel hebben geërfd, noch zijn het degenen die zo’n titel hebben verdient in hun leven. Het zijn degene die in het hier en nu het meest capabel zijn om inhoud te geven aan een bepaalde opdracht. In de democratie van vandaag is deze opdracht gegeven aan de volksvertegenwoordigers en de ministers, die een specifiek inhoudspakket krijgen waarover zij moeten waken als een goede huisvader. In de democratie van onze voorouders, de oerdemocratie, was dat de graaf die regeerde over het stamgebied en aan de kerels waar hij zich aan moest verantwoorden op het ding. Democratie is een goed systeem, omdat het enerzijds de belangen behartigd van alle mensen in de samenleving en omdat het anderzijds de samenleving constant kan aanpassen aan de veranderende tijden. Vertegenwoordigers die niet mee kunnen met hun tijd worden er afgezet en vervangen door de oprijzende nieuwe aristocraten; tot ook aan hun opmars wederom een einde komt. De democratie is daarmee als enige systeem een circulair systeem. Alleen circulaire systemen kunnen de cyclische natuur van de tijd overleven. Alle andere systemen zijn utopisch en leiden dus tot een dystopische periode, waarin de samenleving zich van de grond af moet herorganiseren met nieuwe systemen.

Een democratie kan alleen functioneren wanneer men langst de ene kant afwijkende ideeën inbrengt en men zich langst de andere kant kan neerleggen bij de ideeën van een ander. Er is een zekere wilskrachtige persoonlijkheid en wijze mildheid nodig om aan die voorwaarde te voldoen. In onze huidige democratie is de geestelijk sterke mens echter vervangen door collectivistische facties die tegen elkaar worden uitgespeeld. In ons systeem worden mensen eerder aangezet de partijlijn te volgen dan voor zichzelf na te denken. De indruk wordt gewekt dat ze hun stem kunnen doordrukken wanneer de partij die ze voorstaan in de regering mag zitten. Maar het is niet hun stem die ze tot uitdrukking brengen en de stem die de hunne niet is, is daarbovenop belangeloos. De echte macht wordt bedisselt onder de elites. Onze democratie is enkel en alleen maar een schijndemocratie, die het volk onder de knoet houdt, door hen wijs te maken dat ze aan het roer van het schip zitten. Het is een soort van veredelde religie, die de mensen nog beter kan bespelen en dus nog gemakkelijker uitbuitbaar maakt. Het enige goede aan de schijndemocratie is dat het ons niet doet vergeten wat een democratie potentieel kan zijn. Maar alleen geestelijk sterke mensen kunnen dat potentieel waarmaken.

Een collectivistische conformist is dus niet de juiste persoon voor een democratie. Als conformist heeft hij het van nature moeilijk om zich neer te leggen bij afwijkende ideeën, die indruisen tegen zijn collectieve factie. Hij is dus minder bereidt tot onderhandelen, debatteren en het sluiten van een compromis. Wanneer de elites het schip dan toch van koers laten veranderen zullen de conformisten zich aan de nieuwe koers conformeren. Op den duur zullen ze deze nieuwe koers even vurig verdedigen als de oude. De conformist is immers niet verbonden aan de ideeën die hij aanhangt, maar aan het confirmeren op zich. Of ze nu links op rechts zijn, deze of andere ideeën voorstaan, het gaat uiteindelijk over dezelfde soort mens. Het milieu waarin ze opgroeiden leidt hen naar de een of ander toegelaten factie, die vervolgens tegen elkaar worden uitgespeeld. De conformisten worden daarmee de kracht achter de macht van de elites. Gevangen in hun conformistische overtuiging dragen zij het collectivistisch idee uit dat de individuele mens een collectief wezen is dat gevangen zit in zijn milieu. Zij denken het goede leven niet te vinden in de transformatie van de individuele mens, maar in de transformatie van het milieu. In dit conformistisch waanidee ligt de totale vervolmaking van de conformist in de geestelijke slaaf. Veel conformisten ondermijnen daardoor echter hun verantwoordelijkheidszin, waardoor ze tot egoïsme en hedonisme worden aangezet en als slachtoffers gaan denken. Conformisten zijn zwakke mensen die zichzelf alleen maar zwakker maken. Het leidt tot individualisering, parasitair gedrag en stagnatie. Door de creatie van de conformistische mens schieten de elites zichzelf uiteindelijk in de voet, de conformistische mens zal op den duur te zwak zijn om hun systeem in de lucht te houden.

Een goeie democraat is een individualistisch non-conformist en alleen uit deze mensen komen in feite de echte aristocraten voort. Individualisme is de visie dat de individuele mens als verantwoordelijke actor in het leven ziet. Elk individu is als een heilige kracht, die als puntje bij paaltje komt verantwoordelijk is om zijn leven op een verantwoorde manier in te richten. Ja, het milieu waarin hij opgroeit heeft een grote invloed op het individu. Maar dat milieu is niet de nagel van zijn doodskist, het is in tegendeel zijn unieke gereedschap en startblok tot transformatie. Wat is zijn streven? Dat zijn heilige kracht komt te schijnen. Dat het individuele potentieel kan gemanifesteerd worden in concrete acties waarop hij verder kan bouwen. Een individualist beseft dat het goede leven alleen kan bewerkstelligd worden als zijn medemensen ook kunnen schijnen. Een individualist beseft dat ieder mens uniek is en ontwikkelt daardoor respect voor mensen met andere opvattingen. Een individualist heeft dus belang bij een sterke en hechte samenleving, die elk individu de kans geeft om zijn unieke talenten te ontwikkelen. De non-conforme individualist, een tautologie in feite, zal nooit helemaal passen in de maatschappelijke kaders en zal de samenleving dus steeds dichter trachten te brengen bij zijn eigen ideeën. Daardoor komt hij met vernieuwende ideeën, die vaak botsen met de huidige consensus. Deze vernieuwende ideeën zijn soms nuttig voor de samenleving, maar ze gaan meestal in rook op. De non-conformist kan niet anders dan zich neer te leggen bij de beslissing van de meerderheid, hij wordt daardoor getraind in het accepteren van de compromissen die hij moet sluiten. Maar hij wordt ook getraind om toch nog een deel van zijn ideeën uit de brand te slepen. Hij wordt dus de ideale diplomaat en wordt getraind in het maken van argumenten. Zo wordt de non-conformist op den duur de ideale democraat. Als het volk na alle inspanningen dan toch nog op ramkoers komt te staan met de levensopvattingen van de non-conformist dan zal hij zich eerder terugtrekken dan zijn wil op te leggen aan het volk. Hij heeft dan zijn verantwoordelijkheid genomen, maar hij is niet verantwoordelijk voor de samenleving, hij is alleen verantwoordelijk voor zijn eigen inzet. Daarom is het zo ontzettend belangrijk dat de samenleving steeds een achterland bewaard waar de malcontenten kunnen gedijen; ook een financieel achterland. Want wat vandaag tegendraads lijkt is morgen misschien levensnoodzakelijk. En als dat niet zo is houdt het de ideeën van vandaag op z’n minst scherp.

In mijn maatschappijbeeld zijn er vier klassen. De elites die met hun rijkdom en macht boven de wet leven. Het netwerk die door hun connecties het systeem in stand houden door er de postjes te bezetten, overheidscontracten binnen te slepen of ervoor te zorgen dat de wethouder een oogje voor hen dichtknijpt als ze het niet te bond maken. Het plebs dat zich onderdanig moet opstellen om deel te kunnen zijn van het systeem en met brood en spelen kalm wordt gehouden. Tenslotte zijn er de uitzonderlijk getalenteerden die zowel gevaarlijk kunnen zijn voor het systeem als er bijzonder nuttig voor kunnen zijn. De elites zijn vaak op zoek naar deze mensen om hen voor zich te winnen, want in hen vinden zij het levensbloed. Een individualistische levensopvatting is niet alleen voorbehouden voor deze laatste klasse, maar kan ook ingang vinden binnen de rangen van het plebs, het netwerk en de elites. Alleen zo kan de samenleving zichzelf terugvinden.

HERSTEL

Een democratie kan alleen functioneren onder een sterk volk. Drie zaken maken een sterk volk. Ten eerste hebben de individuele leden van het volk het geweldsmonopolie in handen, niemand anders. Zij zijn het die de wet handhaven en ten strijde trekken wanneer zij dat gezamenlijk noodzakelijk vinden. Ten tweede hebben de individuele leden van het volk een voldoende groot en vruchtbaar erf dat hen in moeilijke tijden in leven kan houden voor een bepaalde tijd. Ze hebben dus letterlijk en figuurlijk stevige grond onder de voeten. Ten derde hebben de individuele leden van het volk een sterke verbinding met elkaar. Deze verbondenheid kan alleen gevonden worden in de bloedband en het non-conformisme. Een gedegen democratie kan immers alleen functioneren in vertrouwen en in culturele vrijheid. Ten vierde moet de economie en de democratie elkaar aanvullen i.p.v. elkaar tegen te werken. De economie is er voor het volk, niet omgekeerd.

Geweldsmonopolie: Een voorstel dat ik bedacht is om alle overheidsdiensten te vervangen door vrijwilligerskorpsen. Er zou dan niemand meer voor de overheid werken, iedereen zou zich echter een dag in de week vrijwillig voor de overheid inspannen. De overheidskosten zouden daarmee drastisch dalen. Daardoor zouden de belastingen ook drastisch naar beneden kunnen, waardoor men evenveel verdienen kan aan een vierdagenwerkweek dan aan de klassieke werkweek van vijf dagen. Op die manier zou ook het geweldsmonopolie terug naar het volk kunnen gebracht worden. Voor elke gemeente en voor elke dag van de week zou een peloton vrijwillige schutters bijeen kunnen komen en kunnen oefenen. Eventueel kunnen zij ook politionele taken overnemen. Afhankelijk van het inwonersaantal bestaat dit peloton uit 20 tot 50 vrijwilligers. Als het aan mij ligt zou ik eerder pleiten voor stay-behind, genie en sabotage strategieën dan voor verdediging – en aanvalsstrategieën. Navenant heeft dat zijn weerslag op het militair materieel, dat gericht zal zijn op lokale netwerkstructuren.

Eigen erf: We delen de potentieel vruchtbare grond van ons land door het aantal leden van het volk. Uit die deelsom zal een bepaalde coëfficiënt aan oppervlakte tevoorschijn komen. Dat is de oppervlakte eigen erf die aan de individuele leden van het volk toe zou moeten komen. Maar in de plaats deze oppervlakte eerlijk te verdelen, door zij die meer bezitten te onterven, zou ik een nieuwe belasting in het leven roepen. Eigenaren die meer bezitten dan het coëfficiënt zouden belast moeten worden. Leden van het volk die minder bezitten dan het coëfficiënt zouden deze belasting moeten ontvangen. Op die manier kunnen de ontvangers sparen om een stuk grond te kopen of worden ze op z’n minst vergoed voor hetgeen hen in de loop van de geschiedenis onrechtmatig is afgenomen. Expats en buitenlanders die bij ons onroerend goed bezitten, waarvan we willen dat zij op den duur geen onroerend goed meer bezitten in ons land, vertrekken altijd van het coëfficiënt, ook al hebben ze minder dan het gemiddelde.

Bloedverwantschap: Om het volk terug te herstellen is het mijn gedacht dat het deel van de bevolking die bloedverwantschap kan aantonen met voorouders die in ons land woonden in de tijd tussen de tweede wereldoorlog en het begin van die eeuw hun burgerschap behouden. De in ons land levende bevolking die deze bloedverwantschap niet kunnen aantonen wordt hun burgerschap afgenomen; zij krijgen de status van expat. Bloedverwanten die in andere landen dan het onze wonen of gaan wonen kunnen bepaalde burgerrechten behouden. Daarmee steunen we dus onze eigen expats. Istvaeonen uit de ons omringende landen zouden na een bepaalde periode wel burger mogen worden als ze naar ons land migreren.

Economie: Publieke ruimten, waaronder de markten en het internet, zouden vrij en gemeenschappelijk goed moeten zijn. Publieke dienstverlening wordt georganiseerd door de vrijwilligerskorpsen. Private dienstverlening en productie moeten in private handen blijven. Terwijl de interne markt zoveel mogelijk vrij wordt gehouden, bijvoorbeeld door regelgeving rond kwaliteitscontrole of monopolies, wordt de prijs van buitenlandse producten op z’n minst gelijk gehouden aan de goedkoopste bedisselde prijs van gelijkaardige binnenlandse producten. Als bedrijven geen arbeidskrachten meer vinden om de groei van hun bedrijf te bevorderen wordt de voorkeur gegeven aan de verhuis van een deel van het bedrijf naar de arbeidskrachten in binnen of buitenland; in de plaats dat de arbeidskrachten naar het bedrijf moeten verhuizen.