Onware Waarheid

Kosmogonie en Ethiek

EPICURISME

HERINTRODUCTIE

In de academische filosofie bestudeert en vergelijkt men een aantal filosofische werken; van daaruit maakt men een aantal kanttekeningen en eventueel een aantal commentaren. Deze manier van werken puzzelt eigenlijk verder aan de bestaande structuren. Hoewel ik met interesse kennis heb genomen van een aantal filosofische werken, zeker als ze over dezelfde materie gaan als waarover ik al reeds nadacht, is de academische manier van werken nooit mijn weg geweest. Contrair aan de kennisfilosofie heb ik voor de oerfilosofie gekozen. Wat ik wel doe is een aantal geschiedkundige termen terug gebruiken, omdat ik denk dat ze overeenkomsten vertonen met mijn eigen denkkaders. Ik vul ze vervolgens in met mijn eigen schema’s. Het is zoals gefundeerde speculatie: er zit een grond van waarheid in, maar het geheel is nieuw. Ik besef dat deze manier van werken een kennisfilosoof op het verkeerde been zal zetten, maar door gebruik te maken van bestaande paradigma’s schept het ook meteen een toegankelijkere poort tot mijn denken, althans voor zij die open van geest zijn.

Mijn oerfilosofie gaat in de grond over chaos, orde en de balans tussen deze twee krachten. In mijn wereldbeeld zijn deze drie fenomenen te herleiden tot drie scholen. De chaos georiënteerde school is die van het hedonisme, de orde georiënteerde school die van het stoïcisme en de balans georiënteerde school die van het epicurisme. Ik denk dat alle filosofieën en religiën die ooit het levenslicht zagen te herleiden zijn tot een van deze drie scholen. Zo bekeken behoort mijn filosofie tot de epicuristisch school. Het is een school die de wereld fundamenteel anders ziet dan de andere twee scholen. Epicuristen zien de tijd als cyclisch, de mens als primitief en het leven als eeuwig. De mens is er een individu onderworpen aan vele krachten. Hij kan er zich door laten meeslepen of hij kan deze krachten overstijgen. Maar dit overstijgen doet hij voor zichzelf en is een strijd die voortdurend gestreden moet worden. Er is immers geen algemene verlossing in het vooruitzicht. Alles is immers cyclisch; verval ligt altijd om de hoek. Epicuristen zijn in mijn opvatting helden, omdat ze ondanks het nakende verlies toch telkenmale kiezen voor de strijd. Heidendom, polytheïsme, primitivisme en de ziel van het westen behoren tot deze school.

Het atheïsme en het materialisme van een door de wetenschap gedomineerd wereldbeeld behoort tot de hedonistische school. De mens en het leven is er in hun wereld bij toeval en tijdelijk. Daardoor is er geen hoger doel en dus geen moraal. Het bewuste leven is er een geschenk dat uitgebuit moet worden, onmiddellijke bevrediging wordt er enkel geremd door de tijdsspanne dat men dit leven wilt uitzitten. In het hedonisme is de ziel van de beschaving vervat, die zich voltrekt in elke cultuur die de kans krijgt zich volledig uit te leven.

De Semitische religiën en de oosterse filosofieën behoren in mijn opvatting tot het stoïcisme. Hun wereldbeeld wordt gedomineerd door het idee van een begin en een einde, waarbij de mens verlossing vindt en een hoger algemeen doel nastreeft. In het oosten is deze verlossing puur gebleven met het idee van nirwana, of niet zijn, waarbij de verlossing bestaat in het opheffen van het leven. In het Midden-Oosten is nirwana vervuilt geraakt met het epicuristische idee van het eeuwige leven, waarbij men verlossing vindt in een hogere vorm van leven. Dit vervat de gedachte van eenheid met god, met een oerenergie of een leven in een hemel. Deze hemel of eenheid met alles wat is, is alleen te bereiken door geheelonthouding. Een stoïcijnse levenshouding waarbij men zich niet laat meeslepen door verlangens en emoties, maar zich verbindt met de regels van een traditie.

Dit hemelidee of de eenheid met god is echter een hedonistische leugen. Het is ofwel het niet bestaan van het stoïcisme, het heroïsche bestaan van het epicurisme, of het doelloze bestaan van het hedonisme. Met mijn schrijven wil ik epicurisme terug ingang laten vinden. Want uiteindelijk maken alleen epicuristen het goede leven en een betere wereld voor iedereen. Aangezien ik kies voor het bestaan wil ik voor mezelf het goede leven. En dus ben ik bereid daarvoor te strijden. Helaas is niet epicurisme, maar stoïcisme het beste antwoord op een woelige periode. De grotere cyclus waarin de mensheid van een primitieve wereld groeide naar een wereld van opeenvolgende en steeds groter wordende beschavingen, beginnende aan de oevers van de Eufraat en de Tigris en eindigend in de globale beschaving van vandaag, heeft helaas tot gevolg dat chaos en orde elkaar steeds sneller opvolgen; waardoor er dus steeds minder ruimte is om te gedijen in balans. De balans van het epicurisme is immers te genuanceerd om grond te kunnen vinden in tijden van chaos. Daarbij komt nog kijken dat het stoïcisme zo’n hardnekkig fenomeen blijkt te zijn dat het geen ruimte laat voor nuance. Maar het epicurisme was altijd al een individuele aangelegenheid. Wie sterk is kan ook vandaag nog een epicuristisch pad bewandelen.

NOOD (WAT IS)

EEN WAARHEID

In dit essay tracht ik de kosmogonie en ethiek uit te werken dat de filosofische grond vormt van mijn denken en geloven. Van alle essays die in deze bundel voorkomen is Onware Waarheid het oudst. Dit essay is het uiteindelijke resultaat van vele voorgaande versies die ik in een tijdsspanne van een kwarteeuw heb geschreven; beginnende met de kosmogonieën dat ik schreef als tiener om mijn fantasiewerelden te omkaderen. Er zijn twee belangrijke periodes geweest dat mijn denken hebben geprofessionaliseerd: een driejarige opleiding in primitieve therapie en daarop volgend een universitaire opleiding in kunst. Het heeft ervoor gezorgd dat ik verschoof van een fantast naar een filosoof en van een creatieveling naar een kunstenaar. Gedurende deze tijd heb ik getracht aan oerfilosofie te blijven doen, door steeds vanuit de basis te blijven denken, zoals een kunstenaar in mijn opvatting betaamd.

In den beginne filosofeerde ik van boven naar beneden: ik schiep een geheel, om dit kader vervolgens te verifiëren aan de hand van vergelijkende logica waarbij ik tegenstellingen trachtte uit te sluiten. Deze methode mislukte telkenmale. Altijd kwam ik onoverkoombare tegenstellingen tegen die het geheel helemaal omver wierpen. Op een gegeven moment, dat moet ook ergens rond mijn 25ste zijn geweest, besloot ik dat er mogelijks geen waarheid kon bestaan, daar ik ze niet kon vinden. Dit inzicht gaf aanleiding tot een radicale ommezwaai van mijn denken. Ervan uitgaand dat de waarheid een illusie is, doordat elke waarheid botst op de grenzen van de logica, begon ik het leven op een empirische manier te bekijken: wat weet ik? Ik reduceerde mijn leven tot enkele waarheden waar ik absoluut zeker van kon zijn. Daardoor kwamen er enkele axioma’s tot stand die vandaag nog altijd recht staan en waarop al mijn filosofie is gebaseerd. Ik filosofeerde nu van beneden naar boven.

Ik besefte dat de mens een waarheid nodig had, ook al was het maar een illusie. Op de hedonistische waardeloosheid lijkt de mens immers niet te kunnen bouwen. Wat de mens nodig heeft is een waarheid dat de mens en het leven dient; dat het goede leven kan bewerkstelligen. Waarde is belangrijker dan waarheid. Daarom besloot ik om met mijn axioma’s een nieuwe illusie te scheppen. Op die manier kwam de multisolipsistische theorie en de stelling van het symbolische universum tot stand.

Het is belangrijk om steeds in het achterhoofd te houden dat ik dus een ambigue relatie heb met mijn eigen filosofie. Het is hier belangrijk om een onderscheid te maken tussen een waarheid en de waarheden. De onderliggende axioma’s zijn de waarheid. Het rationele wereldbeeld dat daaruit ontstaat, het geheel dus, is een waarheid. De onderliggende waarheden beschouw ik als waar, het rationele wereldbeeld als de onware waarheid. Waar omdat de mens het waar maakt, onwaar omdat er ook andere waarheden bestaan. De axioma’s kunnen immers verschillende rationele wereldbeelden en contraire filosofieën opleveren. Ze kunnen ook irrationele utopische wereldbeelden opleveren, maar die hebben maar een korte levensduur.

Ik ga ervan uit dat alle mensen eigenlijk min of meer een andere waarheid aanhangen, mits het vrijdenkers zijn. In die zin bestaat er een soort van concurrentiestrijd tussen de mensen om hun filosofie te laten gelden op de wereld. Daarnaast denk ik dat deze onware waarheid onze wereld ook beïnvloedt en dat zo elke mens een klein beetje zijn eigen toekomst schept. Daardoor is de gezamenlijke wereld/waarheid aan verandering onderhevig. Hoewel de waarheid onwaar is, schept ze voortdurend de wereld waarin we leven.

AXIOMA

Wat kan ik weten? Er bestaat iets, want ik ervaar het. De eerste axioma is daarom mijn bestaan, IK dus. Want ik ben degene die alles ervaart. De ERVARING is de tweede axioma. Het IETS dat ervaren wordt is de derde axioma. En tenslotte is ER de vierde axioma. Laten we dit even ontleden. Ik besta. Er bestaat echter ook iets buiten mij, want anders zou er geen andere ervaring zijn dan dat ik alleen maar mezelf ervaar. Van wat of wie komt die ervaring dan? Er moet dus iets buiten mezelf bestaan. Er is dus een ander of een het. De ervaring in zichzelf is de communicatie tussen die andere en mezelf. Maar de ervaring kan niet op zichzelf staan, er is iets dat ervaren wordt: er is inhoud. De eerste vier axioma’s zijn dus als volgt:

  • Ik
  • Anderen (er)
  • Communicatie (ervaring)
  • Inhoud (iets)

Uit deze axioma’s rijzen een aantal pertinente vragen. Wat ben ik? Wie ben ik? Waarom ben ik? Hoe ben ik? Waar ben ik? Wanneer ben ik? Tenslotte: hoe verhoud ik mezelf tot de andere axioma’s?

Ik weet niet of het relevant is voor dit boek om tot in het detail de brug te slaan tussen de axioma’s en mijn uiteindelijke wereldbeeld. Uiteindelijk zit elke waarheid tussen het logische en het onlogische gevangen, tussen wat af is en onaf. Zelfs de wiskunde heeft geen grootste of kleinste getal, toch werd er tussen het oneindig kleine en het oneindig grote een nulmeridiaan gekozen om ons op te richten. Wat ik wel weet is dat ik de logica grotendeels kan weergeven en dat is wat ik probeer te doen in dit boek. En ik weet dat mijn wereldbeeld naar mijn gevoel ook klopt in mijn ervaring met de wereld en de logica; en dat het overeenstemt met andere prominente filosofieën en mythologieën, of er kan naast staan.

In de redenering dat uitgewerkt werd in een eerder essay met de naam “Mijn tijd komt nog” ging ik ervan uit dat elk ik een piramidaal netwerk van ideeën is. Dit netwerk hangt tussen het eindige en het oneindige. Isoleer ik één idee of verander ik de piramide in een hiërarchieloze balk dan wordt het ik inhoudsloos waardoor het ik verschuift van het zijn naar het niet zijn. In de praktijk houd het ik op te bestaan als de communicatie van het netwerk in de piramide consolideert tot een statisch idee. De aanzet tot het statische wordt vaak gegeven wanneer het ik zichzelf ondergeschikt maakt aan een dogmatische religie, ideologie of identiteit. Daarentegen wordt het ik versterkt door in alles de nuance op te zoeken. De brug die ik daarna maak gaat over wat het eindige en het oneindige voor ons leven betekent. Wanneer het ik in die toestanden terecht komt loert het niet zijn om de hoek. Concentreert het ik zich totaal op een idee dan komt het ik in isolement. Deze oefening noemen we ook zen, een oefening dat ons in contact probeert te brengen met het ware zelf, dat in feite een spiegel is van het niet zijn. In het isolement is er geen ander naast het ik, dus ook geen ervaring en inhoud meer, waardoor het ik leeg wordt. Aan het andere eind van het spectrum komt de leegte ook tot stand wanneer de structuur ontrafelt wordt in het hiërarchieloze. Contemplatie is de oefening die ons in contact brengt met het oneindige.

De conclusie uit dit eerder essay is dat het ik alleen kan bestaan als het constant leeft. Het ik kan niet switchen tussen zijn en niet zijn. Het niet zijn is immers statisch. Zo kom ik tot de tweede reeks axioma’s. Hoe kan het ik leven? Er zijn drie manieren waarop het ik leeft:

  • Delen
  • Groeien
  • Bewegen

Deze drie axioma’s vormen de hoofdindeling van dit essay. Delen is gelijk aan nood, verleden, onderbewustzijn, ruimte en lust. Groeien is worden, heden, bewustzijn, tijd en manifestatie. Bewegen is schuld, toekomst, geheugen, leegte en heimwee. Delen is letterlijk zichzelf opdelen in verschillende stukken; wat gebeurt wanneer we kinderen maken: een man en een vrouw staan een kopie van zichzelf af in de vorm van een zaadcel en een eicel waaruit een nieuw wezen groeit. Delen is ook onszelf manifesteren op de wereld door dingen te scheppen en te maken of door te spreken en anderen te beïnvloeden. Van het moment dat een zaadcel en een eicel zich hebben verenigd groeit men; door letterlijk groter te worden en door kennis en ervaringen op te doen. Bewegen is het switchen van ervaringen en van het ene subject of object naar het andere.

DRIE IN IK

In “Mijn tijd komt nog” refereer ik bij de beschrijving van het piramidale netwerk reeds aan het onderbewuste en het bewuste. De bodem van de piramide vormt het onderbewustzijn en hoe meer men steigt hoe dichter men bij het bewuste komt. Een derde domein is het geheugen dat zich buiten de piramide bevindt. Deze drie domeinen staan als communicerende vaten met elkaar in verbinding. Het bewustzijn en onderbewustzijn scheppen de hiërarchische netwerken waaruit het geheugen bestaat.

Het onderbewustzijn (door Carl Gustav Jung het onbewuste genoemd; terwijl het onbewuste in mijn opvatting refereert aan het niet zijn) omvat het leeuwendeel van het ik. Het onderbewustzijn bestaat uit een reeks automatismen en functies (bijvoorbeeld de zintuigen). Ook hier onderscheiden de automatismen zich hiërarchisch van elkaar. Aan de top van de piramide staan automatismen die ik dagelijks gebruik om te kunnen functioneren; de processen achter het bewustzijn (bijvoorbeeld het redeneren en het herinneren). Daaronder staan automatismen die mijn lichamelijk functioneren bewerkstelligen (bijvoorbeeld zwemmen). Daaronder automatismen die doorheen mijn zintuigen de wereld vorm geven (bijvoorbeeld dat ik rood onderscheidt van blauw). De lijn doorheen de hiërarchie is dat aan de top van de piramide de resultaten van de automatismen specifiek voor mijn persoon zijn (subjectiviteit), terwijl als men afdaalt in het onderbewustzijn de resultaten steeds algemener worden (objectiviteit). Het resultaat van mijn denken is specifiek aan mij gericht, het resultaat van wat ik rond mij heen zie is al veel meer algemeen geldend.

Het bewustzijn bestaat uit voelen dat begrijpend ervaren is en uit de wil dat in het pure heden mijn dagelijks functioneren richting geeft door aan te voelen wat juist of fout is in de gegeven omstandigheid. Als ik wandel voelt mijn wil waar ik naar toe moet gaan, maar het onderbewustzijn leidt mijn lichaam naar die plaats. Als ik een gedachteconstructie opbouw is het mijn begrijpen dat overeenkomsten voelt en de wil dat gevolgtrekkingen maakt. De wil ligt aan de basis van elk concept of idee, maar vanaf het moment dat dit idee gevormd is maakt het deel uit van het geheugen. Het bewustzijn is in het heden, maar wordt gevoed door het geheugen. Het gene wat in het heden blijft is de ervaring. Het bewustzijn is het gene dat ervaart. Het is het levende bestanddeel dat zich constant manifesteert in het heden.

Terwijl het onderbewuste en bewuste de ruimte scheppen, wordt de leegte die bij de ruimte hoort gevuld met herinneringen. De leegte functioneert als geheugen waarin alle begrippen, ervaringen en gedachteconstructies in worden opgeslagen. Aangezien de leegte oneindig is zijn er geen grenzen aan de opslagcapaciteit; alles wordt dus herinnert, er gaat niets verloren; maar dat wil niet zeggen dat ik mij alles kan herinneren. Elke gedachte, elke ervaring en elke begripsverandering doen mijn geheugen uitbreiden. Het bewustzijn haalt via het onderbewustzijn herinneringen naar boven en structureert het geheugen hiërarchisch. Tegelijkertijd maakt het onderbewustzijn van het geheugen gebruik in de werking van de automatismen die geen autorisatie van het bewustzijn nodig hebben en vult daarmee de wereld. Rood is rood omdat het geheugen ons dat via de automatismen zo doet ervaren.

DE ANDER

Als het ik zich kan delen is er ook een ander. Ik word beïnvloed door inhoud die geen oorsprong lijkt te vinden in mezelf. Doordat ik geen blank blad ben bij mijn geboorte kan ik ervan uitgaan dat ik grotendeels uit de ander besta. Deze ander zijn in dit geval mijn ouders en voorouders. In hoeverre is mijn eigen lichaam niet afkomstig van een ander? Hoe dieper ik in het onderbewustzijn afzak hoe minder controle ik heb over mezelf en dus hoe meer de invloed van de ander blijkt. Mijn lichaam staat nog dicht bij mij, maar de wereld waarop mijn lichaam ageert is al heel wat minder te controleren. Met ander woorden: het subjectieve dat ben ik, in het objectieve manifesteert zich de ander; mijn lichaam en de wereld dat ben ik, maar overal blijkt de invloed van de ander.

Alles wat bestaat bestaat alleen uit mezelf, de anderen en dat wat de anderen hebben gedeeld. Alle inhoud komt van levende of geleefde onderdelen van een delend wezen. Stenen, water en lucht zijn zoals hout en vlees. Alles in de wereld is of was dus bezield. De elementen van gestorven wezens overleven in het geheugen van levende wezens. Ook de dode ander blijft mij beïnvloeden. Ik maak elke dag van zijn elementen gebruik om mijn wereld op te bouwen. Deze elementen zijn echter geen buiten mezelf bestaande materie, maar eerder begrippen, betekenissen en concepten in het geheugen die worden gecategoriseerd en gevisualiseerd door de automatismen van het onderbewustzijn en begrepen, ervaren en beïnvloed door het bewustzijn. De dode en levende elementen zijn dus onware waarheden; illusies geschapen door onze voorouders en terug tot leven gewekt door ons onderbewustzijn.

Elk levend wezen is gelijk in die zin dat we dezelfde opbouw kennen. Alleen de verhouding tussen het onderbewustzijn, het bewustzijn en het geheugen is anders. Ook dieren en planten zijn levende wezens die ons beïnvloeden. Het verschil tussen dieren en mensen is dat de mens een wakker wezen is, terwijl dieren niet kunnen groeien buiten de structuren van hun onderbewustzijn. Door bewustwording kan de mens zijn rudimentaire noden ontwikkelen tot iets dat hem bevrijdt van de aangeboren gewoontes. Onder de dieren staan de planten en andere minder ontwikkelde wezens die een steeds minder actief bewustzijn hebben. In de planten wordt dat gesymboliseerd in hun onvrijheid zich te kunnen verplaatsen zoals dieren en mensen.

REÏNCARNATIE

De drie onderdelen van mijn ik met al hun inhoud werden vanuit mijn ouders gereïncarneerd in een nieuwe ik: hun eerste kind. Ik geloof dus niet in de klassieke benadering van reïncarnatie waarbij het ik steeds opnieuw dezelfde cyclus moet ondergaan in een nieuw lichaam dat telkenmale geboren wordt en sterft. In mijn wereldbeeld ben ik de reïncarnatie van mijn voorouders. Waarbij ik in het volwassen worden een uniek wezen word dat deels los komt te staan van mijn voorouders. Bij mijn geboorte worden mijn voorouders opnieuw geboren, gedurende mijn leven wordt mijn individuele ik geboren. Mijn kind is dan de volgende reïncarnatie in een oneindige lijn van reïncarnaties. Maar mijn individuele ik moet niet steeds opnieuw beginnen. Elke reïncarnatie is als een boom die iedere generatie opnieuw vertakt; een boom die steeds groter wordt. Reïncarnatie zie ik dus als een steeds opnieuw kopiëren van de voorouders, waarbij doorheen de tijd lichte veranderingen optreden onder invloed van onze individualiteit.

Alle mensen op deze planeet hebben in zich dezelfde wereld gereïncarneerd, omdat we dezelfde stamvaders delen. Alleen daardoor kunnen we op dezelfde wereld leven en elkaar beïnvloeden. In die zin sluit ik mij aan bij de evolutieleer. Het kan echter ook zijn dat in lang vervlogen tijden twee lijnen afstammelingen versmolten met elkaar tot dezelfde wereld doordat hun beider onderbewustzijn per abuis dezelfde wereld schiep op een bepaald punt in hun afzonderlijke evoluties. Dit zou een andere verklaring kunnen zijn voor het ontstaan van fundamenteel van elkaar verschillende volkeren. Evengoed is het mogelijk dat een afgezonderde groep zich afsplitst en voor zichzelf op den duur een andere wereld schept of in de oude wereld blijft leven terwijl de meerderheid in een geëvolueerde wereld gaat leven.

REALITEIT

Wanneer ik dieper in mijn onderbewustzijn afdaal worden de zaken die het onderbewustzijn bewerkstelligt niet alleen algemener, maar ook reëler. Het denken is een automatisme van het onderbewustzijn dat weinig directe invloed heeft op de realiteit. Door te denken kan ik fantaseren, maar daarmee breid ik enkel mijn geheugen uit, mijn fantasie heeft geen direct effect op hoe mijn onderbewustzijn de realiteit construeert. Hetzelfde geldt voor dromen dat net als de fantasie mijn geheugen uitbreidt, maar geen verandering teweegbrengt in de gedeelde realiteit. Om de realiteit te veranderen moet ik handelen. Om te kunnen handelen moet ik diepere automatismen aanspreken in het onderbewustzijn.

In die lijn zou men kunnen denken dat ik de realiteit zelf zou kunnen vormgeven door nog dieper te graven in mijn onderbewustzijn. Dan zou ik niet alleen kunnen handelen, maar de realiteit rechtstreeks kunnen kneden naar mijn wil. Maar ook in de onware waarheid zijn er grenzen. Daar de realiteit een veruitwendiging is van de archaïsche hiërarchie op de bodem van het onderbewustzijn en zich verhoudt tot de drie onderdelen van mijn zijn. Daaruit is een complexe wereld ontstaan, maar de grondslag is symbolisch. De wereld als een uit de hand gelopen allegorie van mijn zijn. De complexe veruitwendiging van het archaïsche kan daarom alleen veranderd worden als de hiërarchie van het archaïsche of het archaïsche zelf gemanipuleerd wordt. Zo’n verandering is echter zinloos. De mens is immers aangepast aan zichzelf doorheen oneindig veel generaties. Alle puzzelstukken om een goed leven te leiden liggen reeds op tafel. Wie geen goed leven leidt moet harder puzzelen. Wie de puzzelstukken verandert zal het zich alleen maar moeilijker maken. De constructies die buiten de natuur om leven zijn kortstondig en kunnen alleen maar leiden tot catastrofale resultaten. Elke utopie leidt tot een dystopie.

Als ik in de natuur om mij heen kijk dan zie ik dat er zich een constante concurrentieslag afspeelt tussen soorten en tussen soortgenoten. Planten strijden om licht, om water en andere klimatologische en bodemkundige factoren. Het leven is een strijd, er vindt constant een concurrentieslag plaats waar alleen de beste mogelijkheid het haalt. Op dezelfde manier is de realiteit fluïde. De mens doet zijn realiteit geweld aan, maar het archaïsche karakter van de Aarde houd de wereld op zijn plaats. De realiteit kan en zal veranderen doorheen de tijd, maar het archaïsche remt die progressieve krachten drastisch af.

HALLUCINATIE

Daar ik in mijn theorie in mijn eigen realiteit leef, moet ik confirmeren dat degene die een hallucinatie heeft wel degelijk de realiteit ziet, want alles wat zijn onderbewustzijn schept is zijn realiteit. Hoewel de waarheid onwaar is, is de waarheid zoals ze ervaren wordt wel het enige houvast dat ik heb. De vraag is dus niet of dat de hallucinatie echt of niet echt is; ze is immers even waar en onwaar als de rest van de wereld. De vraag is hoe relevant de hallucinatie is en dus hoeveel waarde de realiteit heeft. Ik leef niet alleen in de wereld; de ander is een waarheid die fundamenteler is dan de realiteit. Door onderlinge toetsing kan ik nagaan of mijn individuele realiteit overeen stemt met dat van de ander. Blijkt dat de ander de wereld anders ziet (en het dus een hallucinatie is), dan is de hallucinatie wellicht een puzzelstuk dat niet in de puzzel past en kan men trachten dit poortje te sluiten zodat men in de toekomst meer in overeenstemming met de ander en zichzelf kan leven.

In de natuurlijke wereld heeft de mens alle puzzelstukken tot zijn beschikking om het goede leven te leiden. Veel mensen wordt het leven echter moeilijker gemaakt doordat ze op de een of andere manier minder ontwikkeld zijn. Een hallucinatie lijkt mij echter een teveel aan ontwikkeling, dat evengoed het goede leven in de weg staat. Het lijkt mij dat de hallucinatie een teveel aan creativiteit is en dat de hallucinerende mens dus aan het einde van dat spectrum zit. In primitieve tijden werd dit teveel gekanaliseerd door sjamanen, zodat het van nut kon zijn voor de stam. Vandaag de dag wordt het als een ziekte bestempeld. Als de hallucinatie niet gekanaliseerd wordt door training ga ik ermee akkoord dat het een ziekte is, het is dan immers een onnuttig obstakel.

DROMEN

Dromen is een automatisme uit mijn onderbewustzijn dat mijn denken vervangt tijdens het slapen. Net als het denken graaft het in mijn geheugen op zoek naar waarheden en manieren om te handelen, maar mijn wil heeft initieel geen macht over mijn dromen. Met bepaalde technieken kan ik er wel voor zorgen dat mijn wil de dromen enigszins kan sturen of er herinneringen uit halen voor wanneer ik wakker word. Doordat de dromen niet zo rigoureus zijn gestuurd als mijn denken, gaat het er chaotischer aan toe. Het is een soort van denken dat met oplossingen te berde komt en verlangens tot uiting brengt. Misschien dat het dromen een soort van oerdenken is. Waar dromen vroeger ook een manier waren om wijsheid te vergaren, zijn dromen net zoals de hallucinatie onderontwikkeld in onze hedendaagse samenleving. Wie weet hoeveel automatismen verloren zijn gegaan in de tijd?

MULTISOLIPSISME

Nu dat ik mijn wereldbeeld in de bovenstaande hoofdstukken stelselmatig te berde heb gebracht denk ik dat het stilaan tijd wordt voor een synthese in een allesomvattende theorie. Deze theorie noem ik al jaren het multisolipsisme en die term duidt naar mijn gevoel mijn theorie nog steeds het best aan.

De theorie gaat als volgt: De realiteit die mijn ik teweegbrengt is grotendeels gelijk aan de realiteiten van vele andere mensen, daardoor leven deze mensen in eenzelfde wereld. Ons samen zijn in dezelfde wereld komt omdat we allemaal reïncarnaties zijn van dezelfde oervoorouders.

Ondanks ons samenzijn leef ik toch als apart wezen in mijn eigen realiteit. De realiteit die ik aanschouw bestaat dus zoveel keer als er levende wezens zijn die dezelfde realiteit delen. Daardoor versmelten deze realiteiten in een soort van verdeelde eenheid; waardoor ik ieder die leeft in die versmolten realiteit constant beïnvloed door mijn realiteit te manipuleren. Het stoppen van de actieve invloed en van actief beïnvloed worden betekent de dood van dat andere wezen. (Ik weet echter niet of die persoon daadwerkelijk dood is of dat zijn realiteit niet meer genoeg overeenstemt met de mijne om in dezelfde dimensie te kunnen leven.) De passieve invloed blijft echter gelden na de dood. Alles wat de persoon deelde, inclusief zijn nu zielloze lichaam, blijft aan mijn realiteit kleven.

De individualistische multirealiteit van het multisolipsisme bestaat uit verschillende clusters van realiteiten, die steeds minder met elkaar verbonden zijn. De eerste cluster is de versmolten verdeelde eenheid, de wereld; waarvan de onze Aarde heet. Onze Aarde deelt een cluster met andere werelden die dezelfde natuurwetten kennen, maar waarvan de evolutie tot een verschillende veruitwendiging heeft geleid. Zouden we kunnen wereldhoppen, zoals in eilandhoppen, dan zouden de werelden van de tweede cluster toegankelijk zijn. De derde cluster is echter ontoegankelijk, omdat ze bestaat uit andere natuurwetten. De vierde is al helemaal afgesloten, omdat ze bestaat uit andere axioma’s. De clusters worden in onze wereld symbolisch weergegeven in de nachtelijke hemel.

Mijn ik functioneert en leeft in de interactie tussen haar drie onderdelen: bewustzijn (wil, ervaren, begrijpen), onderbewustzijn (automatismen, functies) en geheugen (herinneringen, hiërarchieën). Deze drie onderdelen van mijn ik kunnen alleen bestaan als een aan elkaar verbonden cluster in mijn ik. Als deze verbondenheid wordt doorbroken dan treedt het onbewustzijn op; de werkelijke dood van het niet zijn. Wanneer iemand op Aarde sterft kan ik echter onmogelijk weten of hij de werkelijke dood is gestorven, of dat zijn ik is getransformeerd naar een realiteit met een andere veruitwendiging, andere natuurwetten of andere axioma’s. In beide gevallen wordt het lichaam die de ander representeerde in mijn realiteit een statisch lichaam. In de realiteit van de eigenaar van dat lichaam, als de eigenaar tenminste nog leeft, leeft zijn lichaam uiteraard nog voort.

Het lichaam wordt geboren uit de gereïncarneerde objectieve realiteit, de individuele subjectieve eigenaar van dat lichaam wordt geboren uit de geboorte van zijn lichaam. Deze geboorte duurt tot aan zijn dood op Aarde. De dood op Aarde betekent in werkelijkheid de geboorte uit de Aarde. Deze geboorte kan echter mislukken; dan treedt het onbewustzijn op. Of het kan lukken, waardoor zijn realiteit transformeert naar een andere toestand. Wij die achter blijven op Aarde kunnen alleen maar raden of deze persoon getransformeerd is of de dood heeft gevonden. We kunnen er echter van uitgaan dat iemand die te hedonistisch of te stoïcijns heeft geleefd de dood heeft opgezocht.

Het lichaam is een symbolische weergave. Het symboliseert het niveau in het onderbewustzijn dat door handelingen kan ageren met de diepere niveaus van het onderbewustzijn. Dit niveau aan diepere niveaus wordt gesymboliseerd in de realiteit waarin wij leven. Door gebruik te maken van ons lichaam, dus handelingen te verrichten, activeren we onze realiteit en maken we de geboorte uit de Aarde mogelijk. Er is dus geen echt verschil tussen de geestelijke weg en het aardse handelen; beiden zijn hetzelfde en leiden tot hetzelfde.

UITDEINEND LEVEN

Wanneer we de tijd op een tweedimensionale manier bekijken dan lijkt de cyclus op een circulaire wijze te verlopen waarbij de tijd steeds opnieuw begint. Wanneer we de tijd driedimensionaal bekijken schrijdt de cyclus echter voort als in een helix. Eerder dan opnieuw te beginnen worden de cycli opgestapeld. In hun cyclus volgen de cycli steeds opnieuw hetzelfde traject, maar nooit is de tijd helemaal hetzelfde als in een voorgaande cyclus. In elke cyclus ontpopt het leven zich op een andere manier. Door het leven deelt de tijd zich echter in stukken, die dan afzonderlijk en helixgewijs verder groeien. De tijd is daardoor niet enkel een helix, maar vertakt zich ook nog eens als een boom. In de driedimensionale ruimte doet de tijd zich daarom voor als een zich eeuwig vertakkende boom, die zich vanuit het centrum bolvormig uitstrekt naar de uiteinden van de ruimte. De boom groeit daarbij van de oneindig kleine ruimte naar de oneindig grote ruimte, van het verleden naar de toekomst. Dit wordt symbolisch weergegeven in het steeds uitbreidende universum.

Elke tak van de boom is een individueel wezen. Individuele wezens kunnen echter sterven. Veel takken van de boom sterven dus af. De boom rot van binnenuit. De draak Nijdhakker knaagt aan Yggdrasil. Daardoor ziet de boom er eerder uit als een oude hakhoutstoof; waardoor de uiteinden van de boom zich als afgescheiden bomen voordoen. Dit wordt in het universum gesymboliseerd in de aparte melkwegstelsels, die dan weer onder te verdelen zijn in gescheiden groeperingen van sterren en afzonderlijk zonnestelsels. Zo baant het leven zich een weg doorheen de tijd; zonder begin, zonder einde.

TIJD

Er wordt veel gespeculeerd en gefilosofeerd over de tijd, vaak wordt daarbij de gangbare aanname bekritiseerd dat de tijd lineair is. Volgens sommigen verloopt de tijd in verschillende snelheden afhankelijk van de eigenschappen van de ruimte waarin men zich bevindt, voor anderen is de tijd circulair. Sommigen beweren zelfs dat men terug in de tijd kan reizen. Al deze theorieën hebben één ding gemeen, ze plaatsen de tijd buiten zichzelf. Een materialistische visie die ervan uitgaat dat de tijd op zichzelf staat, als een op zichzelf staande wet of kracht in de kosmos. Mijn opvatting over tijd is echter multisolipsistisch. Voor mij is de tijd onderdeel van het ik. Er is geen tijd dat buiten mezelf bestaat, behalve dan in de andere levende wezens. Alle levende wezens leven de tijd individualistisch.

Tijd, leven en bewustzijn zijn identiek. Het bewustzijn is het leven en het leven is de tijd. Wordt het bewuste zijn onbewust dan stopt het leven en stopt de tijd. Groeien, delen en bewegen zijn allen toestanden waarin de tijd actief voortschrijdt. Stagneert de tijd tot een inactieve toestand dan stopt het leven en treedt het onbewustzijn op.

MAAGD

De maagd is de Norn die het verleden symboliseert. Zij wordt contradictorisch afgebeeld als een oude vrouw, maar dit klopt omdat zij het oneindige en onbuigzame verleden representeert. De maagd is oud omdat ze nog niet is geworden tot een ik. Ze heeft geen eigen wil, maar wordt gestuurd door haar bloed. Zij representeert onze voorouders waarvan wij de reïncarnatie zijn. De vier herten die samen onder de boom Yggdrasil schuilgaan zijn met haar verbonden. De herten representeren onze vier grootouders, die met hun geweien de voorouderlijke stambomen met zich meedragen.

In dit laatste hoofdstuk van Nood wens ik nog eens de belangrijkste ankerpunten van het multisolipsisme op te lijsten; in contrast met gangbare opvattingen.

  • Standaard wordt er van uitgegaan dat de wereld een ontstaan heeft gekend. Dat ontstaan wordt herleid tot een beginpunt. Dit punt ontploft als in de oerknal of representeert een hoogste god. Beiden gaan ervan uit dat alles op een dag terugkeert naar dat punt. Deze levenscyclus associeer ik met de Oosterse filosofie en het stoïcisme. In het multisolipsisme is er geen begin en einde en dus ook geen god of oerknal. Er is alleen het eeuwig in beweging zijnde leven. Mijn visie associeer ik met het Westerse heidendom en het epicurisme.
  • Aansluitend gaat men ervan uit dat de mens in de wereld is. Ik wijs deze dualiteit af. In het multisolipsisme is de mens en de wereld dezelfde entiteit. Er zijn zoveel werelden als er mensen zijn. Er is ook geen god buiten de mens. De goden zijn categorieën uit ons geheugen die de wereld symbolisch vormgeven en ons gidsen bij de keuzes die we dienen te maken. Het leven wordt geleefd in de levende wezens. Daarbuiten is alleen het niets, maar dat wordt dan weer gedragen door de geleefde wezens.
  • De mens is noch een individueel noch een collectief wezen, maar iets tussenin. De mens wordt in grote mate gestuurd door zijn voorouders. Er is maar een klein deel in hem dat sturend en potentieel vrij is. Dat kleine deel kan echter groeien. Sturen en vrijheid moeten verworven worden. Zo leeft men het groeien, delen en bewegen. Elk levend wezen dat vertakt uit een ander levend wezen moet dit proces opnieuw ondergaan. Terwijl de oude takken leren bewegen in diversiteit, leren de jonge takken bewegen in originaliteit.

WORDEND (WAT WORDT)

PERSOON

Wat wordt er? In Nood ging het over wat aan de geboorte voorafgaat. Nood gaat over het noodzakelijke, maar ook over het onveranderlijke. We kunnen het verleden niet meer veranderen; het is potentie, tijdloos en onzichtbaar. Alleen hetgeen in ons geheugen en in ons onderbewustzijn blijft leven is zichtbaar of kan ontdekt worden. In Wordend gaat het over het actieve heden: het ik die wordt en dus leeft. Voor de geboorte is mijn ik een hoopvolle belofte, na de geboorte ben ik wordend. Gedurende het leven heb ik de kans te groeien tot een wezen dat kan overleven door te leren leven.

Wat wordt er? Mijn ouders stonden beiden een stukje van zichzelf af, dat ze lieten samensmelten. Dat samengesmolten deel werd ik. In dat ik start het leven opnieuw. Dat leven is echter initieel onpersoonlijk. De interactie tussen het onderbewustzijn, bewustzijn en geheugen doet het ik functioneren en vervult de noodzakelijke voorwaarden om te overleven. In dat onpersoonlijke deel leven mijn voorouders. Uit de interactie van het bewustzijn met het onderbewustzijn en het geheugen ontstaat naast mijn voorouders ook langzamerhand een eigen persoon. Het is die persoon die in het actieve heden ontwikkeld wordt. De persoon wordt de motivatie en het kompas waarnaar het bewustzijn zich kan richten. De voorouders in het ik overleven, de persoon in het ik leeft. Het persoonlijke draagt de wil in zich om het ik ook in de toekomst te laten overleven; mits de persoon een levensvatbaar geheel kan vormen.

De persoon is de manier waarop wij ons geheugen construeren met onze herinneringen. Het is dus het levende deel van ons geheugen, waar het verleden een plaats in krijgt. De persoon is de constructie, dat elke binnenkomende herinnering dat gegenereerd is door inkomende informatie of ervaring een plaats geeft. Het actieve deel van de persoon is het korte termijn geheugen dat in samenspraak met het bewustzijn de interactie tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn en het bewustzijn en het geheugen mogelijk maakt. Het lange termijn geheugen wordt gestuurd door de interactie tussen het onderbewustzijn en het geheugen, zonder dat het bewustzijn daarin tussenkomt.

We kunnen onszelf alleen begrijpen en identificeren door van onszelf een karikatuur te maken, door onszelf in een verhaal te plaatsen. We scheppen daarom een samenvattende identiteit; een innerlijke onware waarheid. Dat wordt de persoonlijkheid in onze persoon. Met deze persoonlijkheid presenteren we onszelf aan de ander. Sommige mensen presenteren zichzelf moedwillig verkeerd. Anderen proberen zichzelf zo eerlijk mogelijk te presenteren. Maar beiden geven ze altijd een onvolmaakte versie van hun persoon. Dat is de natuur van identiteit.

VRIJHEID MAKEN

Vrijheid is onszelf tot uitdrukking brengen in onze persoon en onze realiteit daarmee in overeenstemming brengen. Als we onze wereld willen aanpassen aan onze wil dan doen we dat door handelingen te verrichten, met onze eigen handen of door anderen aan het werk te zetten. Willen we ons lichaam iets laten bijleren dan doen we dat door ons lichaam dezelfde handelingen steeds opnieuw te laten uitvoeren tot ons lichaam het in de vingers heeft. Willen we ons gedrag aanpassen dan moeten we de situaties leren herkennen die dit gedrag activeren en daar het gewenste gedrag tegenoverstellen.

Ons bewustzijn functioneert eigenlijk als de bemiddelaar. Het brengt het onderbewustzijn in overeenstemming met de wensen die gegenereerd zijn uit onze persoon. Dat doen we door het onderbewustzijn te trainen. We zijn dus niet vrij in ons bewustzijn, maar wel door middel van ons bewustzijn. Vrijheid is dus niet iets dat direct geleefd kan worden en ook niet iets dat op zichzelf bestaat. Het is een log manipulatieproces dat in drie trappen plaatsvindt. Eerst wordt het ontwikkeld in onze persoon. Van daaruit wordt het overgebracht naar ons onderbewustzijn. Pas als ons onderbewustzijn het heeft opgepikt wordt het toegepast in de realiteit. Kunnen we onszelf dan tot uitdrukking brengen of moeten we het hele programma opnieuw doorlopen?

HET NEGATIEVE BEWIJS

‘Onze persoon wordt voor altijd en volledig gekluisterd door onze omgeving en onze voorouders.’ ‘We kunnen de kluisters van ons afwerpen en onze wil volledig bevrijden.’ De eerste stelling is een collectivistische waarin het lot volledig is bepaald in elke keuze dat we maken. Deze stelling stemt overeen met het statische en de totale orde. De tweede stelling is een individualistische en poneert dat elke keuze potentieel volledig vrij kan gemaakt worden. Deze stelling stemt overeen met het fluïde en de totale chaos. In de totale orde en de totale chaos kan het leven echter niet plaatsvinden. De enige zekerheid is dat wij leven en dus ligt de waarheid over vrijheid ergens tussenin. Zouden we dood zijn dan zou er immers absoluut niets zijn. Dat is mijn negatief bewijs dat vrijheid wel degelijk bestaat en dat we dus de koers der dingen in vrijheid kunnen sturen. Een positief bewijs heb ik echter nooit kunnen maken.

Onze voorouders en wijzelf werden op een positieve en negatieve manier beïnvloed door onze omgeving, waardoor we zijn wie we zijn, met alle positieve en negatieve kwaaltjes tot gevolg, We zouden de invloed van de omgeving kunnen wegtrainen zodat we de zuivere voorouders in ons ontsteken. Maar daar geloof ik niet in. Het positieve komt tot stand in het negatieve. Ook de zuivere voorouder is een resultaat van zijn tijd. Het goede leven is enkel te bereiken door onszelf in het hier en nu vorm te geven.

LUST EN MORAAL

Ons leven bestaat grotendeels uit het zoeken van een balans tussen het vermijden van onlust en het verkrijgen van lust. In de beginfase van ons leven bestaat lust uit het invullen van levensnoodzakelijke noden; zoals dorst, honger en genegenheid. Onlust bestaat simpelweg uit het ontberen van deze noden. Onlust kan echter ook ontstaan uit een teveel aan lust. Men moet daarom steeds voorzichtig omgaan met het invullen van lust. De lessen die men kan trekken uit deze balans zijn onze moraal. Het doel van deze moraal is om het goede leven te bereiken. Niet alleen vandaag, maar ook alle andere dagen van het leven.

Er zijn drie krachten die de lust kan transformeren in onlust.

  • Lust is beperkt in de tijd; enerzijds door verzadiging, anderzijds door gewenning.
  • In het hier en nu staat de ene lust de andere in de weg. Tijdens de invulling van een bepaalde lust leeft men dus steeds een onlust in een ander lustdomein.
  • Het invullen van een lust in het hier en nu kan op de lange termijn nefast zijn.

Ik denk dat de belangrijkste lessen uit de moraal te trekken zijn in het nefast zijn van bepaalde lusten die men in het hier en nu in kan vullen; vooral in relatie tot de medemens. Als ik mij op korte termijn wil bevredigen dan schaad ik vaak andere mensen. Maar deze mensen heb ik vaak ook nodig op lange termijn. Als het leven een spel is en ik speel vals om te winnen of ik speel alleen de spelletjes waarin ik altijd win, dan ga ik op den duur niemand meer vinden om mee te spelen. Afhankelijk hoe ik speel gaat mijn reputatie mij voor. De mens is een sociaal wezen die de andere mensen nodig heeft om het goede leven te beleven. Ben ik een goede speler dan trek ik mensen aan, ben ik een slechte speler dan kom ik alleen te staan.

Uit het afzwakken van de lusten ontstaan echter meer geraffineerde lusten, die het goede leven verdiepen. Als men patat, bloemkool en een pan worsten op tafel zet dan wordt het eten best eerlijk verdeeld om iedereen tevreden te houden. Dit zwakt het individuele genot af, maar bevorderd de gezellige sfeer en de cohesie. Uit het afzwakken van de banale lust ontstaat dus een geraffineerde lust, dat de band tussen de medemensen ook nog eens hechter maakt.

LAGE EN HOGE CULTUUR

Ook het leren uitstellen van een lust kan de lustbeleving en het goede leven op de lange termijn bevorderen. Het ontberen van lust kan opgelost worden door de lust dat men ontbeert in te vullen. Deze lust is echter niet altijd bereikbaar in het hier en nu. Men staat dan voor twee keuzes: de ontbering verdragen of zich overgeven aan het genot van een vervangende lust. Op korte termijn lijkt de tweede optie het meest soelaas te brengen. Het probleem met deze lustoptie is dat het een afleidende lust is. Hoewel de vervanging tot genot leidt op andere domeinen, blijft de originele onlust oningevuld bestaan. Het genot van de vervangende lust zindert dus niet na; het brengt geen voldoening. Men wordt er niet vol van, maar maakt de achtergelaten leegte groter. De vervangende lust is dus nuttig als overbruggingsstrategie, maar uiteindelijk zal men wel de originele lust moeten zien ingevuld te krijgen. Alleen genot dat voldoet geeft immers rust en geluk, genot dat leegzuigt brengt onrust.

In de hedendaagse Westerse beschaving is het hedonistische kortetermijngenot een verdienmodel geworden. Vandaag de dag moet je veel sterker in je schoenen staan om daaraan te kunnen weerstaan. Wij worden actief verleid door reclame en design om dingen te doen en te kopen die we eigenlijk niet nodig hebben. Daardoor verliezen veel mensen zich in impulsief gedrag en verliezen het contact met de geraffineerde lusten. De relatie tussen mensen en mens en natuur verliest er zijn diepgang. Alles wat tot rust leidt lijkt niet meer interessant, omdat men zo is afgestemd op het kortetermijngenot. Men heeft het kortetermijngenot gecultiveerd, men is dat geworden. Dit gezicht van de hedendaagse beschaving brengt de lage cultuur voort. Wie zich daarin laat onderdompelen beweegt zonder te groeien en zal zijn leven dus onvolgroeid en kwaliteitsloos leven. In deze condities wordt het leven in hem niet geboren, hij is er enkel een verbruiker van.

Lage cultuur is in feite het intentioneel rudimentair houden van de set aan lusten waartoe een individu zich verhoudt. Basale emoties en gevoelens worden er constant aangesproken. Het is eerder gericht op kwantiteit dan op kwaliteit. In extremis leidt het tot chaos. Daartegenover staat hoge cultuur dat de nuance opzoekt door lust zo duurzaam mogelijk te maken. De kwaliteit van de hoge cultuur probeert de onlust tegen te werken dat in de lust tot stand dreigt te komen. Het schept daarmee de condities voor het goede leven.

Wanneer hoge cultuur leidt tot een set aan zeer specifieke lusten, dat op zijn beurt leidt tot een versplintering in subculturen, kan hoge cultuur echter het contact met de realiteit of met haar wortels verliezen. Wanneer het zijn dynamische kracht verliest kan het verzanden in de orde dat het schept. De inbreng van lage cultuur kan dan noodzakelijk zijn om terug dynamiek te brengen in de hoge cultuur. Het is soms goed dat de cultuur een stapje terug zet om vanuit een stevigere sokkel opnieuw te kunnen groeien. Vandaag de dag laten veel mensen zich echter te veel meeslepen door de lage cultuur waardoor van groeien weinig meer in huis komt. De oplossing voor deze tweespalt ligt in het omarmen van de derde speler; de natuur. Wie zich de natuur toe-eigenend laat zich niet meeslepen door de lage cultuur en kan zich ook niet verliezen in de hoge cultuur.

Het gebrek aan respons en interactie is waarom we in de natuur een beetje tot stilstand kunnen komen. De natuur brengt ons tot rust. Het zwakt de lusten af en maakt ze daardoor geraffineerder. Je zou kunnen zeggen dat de hoge cultuur een culturele poging is om het menselijk contact met de natuur te imiteren binnen de context van de beschaving. De problemen ontstaan wanneer de cultuur de imitatie belangrijker gaat vinden dan hetgeen geïmiteerd wordt. Lage cultuur weerspiegeld dan weer de ontwortelde beschaving. In beiden leidt het gebrek aan natuur tot utopische dystopieën. We hebben echter de cultuur nodig om onze persoon tot uitdrukking te brengen. Het goede leven is te vinden in de natuurlijke cultuur.

LUST EN TELOS

Om te worden moet de mens een set van lusten omarmen waarrond hij zijn leven in kan richten. Anders dan voor een hedonist, die het leven als kortstondig en in wezen nutteloos ziet, is het voor een epicurist belangrijk dat de lusten die hij omarmt de eeuwigheid kunnen weerstaan. Hij moet dus heel doordacht omgaan met de lusten die hij cultiveert en verfijnt. Zeker in de hedendaagse maatschappij dat erop is gericht ons dom en basaal te houden. De lusten die men ervaart, waarin men zich verdiept en die men manifesteert gaan zich immers nestelen in de persoon. Het is door de lusten te leven dat men ze cultiveert en deel laat uitmaken van de set van lusten waarrond het leven gaat draaien.

In de regel zijn de lusten die het langst voldoening geven en die in anderen het minst onlust veroorzaken de te cultiveren lusten. Daarnaast moeten het lusten zijn die bij regelmaat geleefd kunnen worden. Sommige van deze lusten mogen een streefdoel zijn, maar ze mogen niet te hoog gegrepen zijn. Uit de ervaring van de lusten groeien immers meer verfijnde lusten, die men niet kan voorzien. Eerst moet men de zintuigen prikkelen eer men smaakvoorkeuren kan ontwikkelen. Daarom is het beter om een kleine set van lusten tot hoogstaande niveaus te verfijnen dan alles uit te proberen en daardoor op het basale niveau te blijven hangen.

EEUWIGE WEDERKEER

Het bereiken van de eeuwige wederkeer, mijn pastiche van Nietzsche ’s concept, markeert de finale geboorte van de persoon in dit leven. Een sterke persoon wordt gevormd rond een set van voldoening gevende lusten. Er komt op een bepaald moment een omslag waarbij de set van lusten min of meer zal vaststaan voor de rest van het leven. Op dat punt is de persoon min of meer gevormd. Het groeien naar vervolmaking is dan zo goed als voorbij. In de eeuwige wederkeer keert de persoon eeuwig weder naar dezelfde lusten. Hij maakt als het ware iedere dag dezelfde wandeling, waarbij hij steeds dezelfde plaatsen bezoekt, die zich elke dag navenant het weer en het seizoen anders voordoen. Eerder dan groeien gaat de persoon vanaf dat moment bewegen.

Om de lusten te beleven moeten de lusten zich manifesteren. Door verzadiging of gewenning treden de gemanifesteerde lusten echter steeds in verval vanaf het moment dat ze in de realiteit worden gebracht. De persoon loopt daarbij leeg en dus moet hij wederkeren naar deze lust om haar opnieuw te manifesteren en dus te beleven en te vullen. Bij de basale lusten is het juist dat; eeuwig wederkeren. In de geraffineerde lusten kan men echter steeds een nieuwe variatie van dezelfde lust manifesteren. Het is dat aspect dat de lust geraffineerd maakt. Verfijning kan zich vertonen in oneindige diversiteit en is dus een onuitputtelijke bron van voldoening en van levenscreatie.

Met elk wederkeren bloeit de persoon terug op om vervolgens wederom een beetje te sterven; in een eeuwige cyclus. Het is deze dynamiek tussen verval en manifestatie dat de Westerse ziel zo anders maakt dan die van het Oosten. In een verfijnde Westerse persoon zal een lust ontstaan die het sterven apprecieert. Decadentie, gotische verhalen, ruïnes, duistere romantiek; het is een uniek aspect van de Westerse mens. Het is een contraire lust die de complexiteit van de eeuwige wederkeer nog diverser maakt. Maar ook hier manifesteert het leven zich. Niet voor niets heet Europa het Avondland. Duistere romantiek is misschien wel het summum van de Westerse ziel. Om de hoek kan echter een sinister hedonisme schuilgaan voor wie te diep drinkt van deze bron.

LUST EN RUST

De Westerse ziel of filosofie kent dus geen utopie of eindpunt als telos van het leven. De duistere romantiek kan de pijn of het gemis dat ontstaat uit de leegte dat het verval achterlaat alleen maar verzachten. De eeuwige wederkeer brengt ons eeuwig naar voldoening, maar het is ook een eeuwige terugkeer naar de tragedie. Vanuit het gemis ontstaat de nood om weder te keren naar de lust. Het is deze tweespalt dat het leven in gang houd in het heelal.

Als pijn en voldoening steeds aan elkaar gewaagd zijn, hoe moeten we dit overleven? Hier biedt het stoïcisme de uitweg. In het stoïcisme tracht men pijn te dempen door de lust niet op te zoeken. Manifesteert men de lust niet, dan is er ook geen verval mogelijk. In het stoïcisme hoopt men zo een eeuwige gemoedsrust te vinden. Pijn en genot zijn echter beide emoties en dus kunnen we de techniek van het stoïcisme omdraaien. We kunnen de pijn rechtstreeks dempen. Het helpt natuurlijk dat voldoening gevend genot en duistere romantiek reeds lusten zijn die zelf al rustiger zijn in het gemoed. Maar daarbovenop kunnen we ook in het moment van pijn ons bewust worden dat de tijd van de pijn tijdelijk is. Na regen komt zonneschijn; altijd. Dat weten we uit ervaring. Door deze gedachteoefening te maken kunnen we eerder een afwachtende positie in nemen dan ons op te jagen en zodoende de pijn alleen te verergeren. In de plaats de weg van de pijn te bewandelen kunnen we als het ware aan de kant van de weg gaan zitten en de pijn zonder ons laten passeren. Het gebrek dat men voelt bij basale lusten is moeilijker te negeren dan dat van de geraffineerde lusten. Maar ook dat is in principe mogelijk. Zelfs fysieke pijn kan men leren negeren.

De eeuwige wederkeer op zijn hoogste niveau is dus een eeuwig wederkeren naar voldoening gevende lust en een positie van rust. Lust en rust is daardoor mijn credo. Op die manier is de tweespalt levensvatbaar, ze is zo immers niet in evenwicht, waardoor het leven kan uitdijen en dus überhaupt kan bestaan. De hoogste westerse mens is een held die zichzelf realiseert door zijn lusten wederkerig te manifesteren en zichzelf overwint door zijn pijn te overwinnen. Zo is hij in staat de eeuwigheid te trotseren als uniek persoon en baken in de duisternis. Eenmaal Walhalla bereikt kent hij echter geen rust, zoals in de Oosterse filosofie, maar vat de eeuwige strijd aan. De held die berust verliest het scherp van de snede en dreigt als Icarus terug op Aarde te vallen.

VRIJHEID LEVEN

Er is maar een enkele waarde die naar zichzelf verwijst en dat is de hoogste waarde. De zin van het leven is te leven. Wij leven om te leven. Filosofen van het morgenland associëren de hoogste waarde met de hoogste god. Maar de hoogste waarde leeft niet op zichzelf. Het leven kan alleen geleefd worden en het kan alleen bestaan als de levende wezens het voortbrengen.

Als wij tot bloei komen komt het leven tot bloei. Om echt tot bloei te komen moeten we echter eerst groeien. Dit doen we door onze lusten te cultiveren tot een geraffineerd niveau van verfijning. In de groei naar de bloei bereiken we op een bepaald moment een niveau waarbij we van het noodzakelijke en algemene overgaan naar het eendere en het unieke. Het noodzakelijke en algemene is verbonden met de basale lusten. Het eendere en unieke is verbonden met de geraffineerde lusten. Eenmaal we op het niveau van de geraffineerde lusten gekomen zijn leeft de mens in een zekere vrijheid. Anders dan bij de basale lusten stelt het leven in de geraffineerde lusten immers geen eisen wat vorm en inhoud betreft. Op dat niveau komt het leven tot bloei; ook als we alleen nog maar bewegen in de eeuwige wederkeer. Alleen in het eendere en unieke kunnen immers de eeuwige variaties van dezelfde lustmanifestaties tot stand komen. In deze tot stand komende diversiteit leeft het leven in zijn volle glorie.

Hedonisten, die blijven steken in de basale lusten, bewegen ook. Maar hun lustmanifestaties zijn noodzakelijk en algemeen. Zij leven dus niet in vrijheid, maar in een systeem van stabiliteit en voorspelbaarheid. Zij leven wel, maar scheppen geen leven. Alleen in een tot bloei gekomen leven schept beweging leven. Hedonisten teren dus als parasieten op het leven dat door hun voorouders geschapen is. In hun beweging laten zij het leven van hun voorouders overleven zonder zelf geboren te worden. Het hoogste wat dit leven kan voortbrengen is dat zij hun leven doorgeven aan een volgende generatie; in de hoop dat hun kinderen tot bloei gaan komen. Hedonisten overleven of existeren eerder dan echt te leven.

Vrijheid is dus iets dat ontstaat in het wordingsproces. Het is niet iets dat is. Het is geen kracht op zich. Vrijheid moet verworven worden.

LOTSBESTEMMING

Onze lotsbestemming is de persoon die we zouden moeten worden als we de voorouders in onszelf realiseren. Het is pas wanneer we onze lotsbestemming zijn geworden dat er een poort kan opengaan naar een domein dat ons lot overstijgt: het domein van de vrijheid. Er zijn echter negatieve krachten die onze vrijheid trachten af te snoepen. Deze krachten worden misbruikt door derden om ons voor hun kar te spannen, opdat wij niet onszelf en het leven realiseren, maar hen dienen. De mens heeft deze negatieve krachten echter nodig om de wilskracht te activeren die naar zijn vrijheid leidt. Een deel van de mensen houdt de negatieve krachten in stand doordat bij hen de nodige wilskracht ontbreekt. De falende mens schept daardoor de condities opdat anderen kunnen bloeien. Ik reken zowel de dienende als degene die gediend worden tot de falende mens. Zij houden elkaar in stand. Alleen een falende mens is immers gediend met falende mensen.

Wanneer de negatieve krachten zich manifesteren over verschillende generaties kunnen ze zich internaliseren in de voorouders. Aangezien wij onze voorouders zijn, worden deze negatieve krachten ook in ons geboren. Het maakt dan deel uit van onze lotsbestemming. Ook de negatieve krachten krijgen vorm in onze persoon; dat deel noem ik de onpersoon. In tegenstelling tot de persoon die ons leidt naar het domein van de vrijheid vormt de onpersoon een hindernis op deze weg. Het is daardoor dat we de onpersoon van de persoon kunnen onderscheiden en onze lotsbestemming kunnen wijzigen opdat we het leven opnieuw tot leven kunnen wekken.

ONPERSOON

Naast het verwerven van kennis en vaardigheden om op onze eigen benen te kunnen staan is de weg naar de volwassenheid in grote mate ook de betrachting om inzicht te verwerven in alle krachten die ons van onze vrijheid beroven. We trachten daarbij te doorgronden hoe de wereld en onze naasten ons beïnvloeden en zoeken de juiste vrienden om ons mee te omringen. We zoeken wat onze interesses zijn en in welke richting we ons leven willen oriënteren. Het is dit proces dat tot de set van lusten leidt. Naast het ontmaskeren van externe invloeden en het verwerven van ons eigen wereldbeeld moeten we ook kijken naar de interne invloeden. Om echt vrij te zijn moeten we de onpersoon van de persoon leren onderscheiden. We moeten leren om de onpersoon, dat ons potentieel om te groeien doet slinken, te zien wanneer deze zich manifesteert in ons leven.

De sinterklaasrite is naast een diepgeworteld cultureel fenomeen de manier waarop kinderen voor het eerst worden aangezet volwassen te worden. In de sinterklaasrite wordt hen geleerd dat ze niet alles moeten geloven. De kinderen moeten er in deze rite immers zelf achter komen dat sinterklaas niet bestaat. Het zet hen aan tot een kritische wereldbeschouwing.

De onpersoon is eigenlijk dat deel in ons dat een deel van onszelf ontkent. Het zwakt daardoor onze sterktes af waardoor we de lat lager leggen en het zaait angst waardoor we onze lusten alleen nog maar durven te beleven in onze fantasie. In onze fantasie vervangt het de lusten door identiteit. In het ontmaskeren van onze identiteit kunnen we kijken welke sterktes de onpersoon tracht toe te dekken. Iemand die zijn goesting doet heeft geen identiteit nodig. Hij is wat hij doet en hij doet waarvan hij houdt. Wie zichzelf echter niet manifesteert moet ter compensatie zichzelf verbloemen; zichzelf gewicht toekennen dat hij niet heeft. In de plaats zijn goesting te doen maakt de onpersoon hem immers kleiner dan hij in werkelijkheid is. Zijn klein zijn maakt hem bang, waardoor hij de doelstelling niet meer uitvoert die hij wilde volbrengen. In dat proces laat de onpersoon ons de meest kwetsende emoties voelen die werden gebruikt om ons gedrag tijdens de opvoeding aan te passen door onze onvolwassen ouders. Op deze manier worden de negatieve krachten van generatie op generatie doorgegeven. De onpersoon verraad zichzelf als anderen om ons heen onze zwakheden lijken te vertonen of net de sterktes lijken te hebben die onze onpersoon verdrukt. Onze zwakheden herkennen resulteert in haat, onze sterktes herkennen in verliefdheid.

De onpersoon en de persoon zijn echter zo met elkaar verbonden dat we vaak niet weten wie er aan zet is. We weten zelfs vaak niet dat angst actief in ons speelt op het moment dat we bang zijn of ons klein voelen. We herkennen echter wel die zeldzame keren dat we echt onze goesting deden, vaak zonder na te denken. Er is dan ook een heel bewustzijnsproces voor nodig om op dat vlak resultaten te boeken. Anderen die daar ook mee bezig zijn kunnen ons daarin helpen. Het komt erop aan erachter te komen welke emoties onze onpersoon ons toegefluisterd heeft door de tijd stil te zetten en goed te luisteren. Vaak zijn het net in emotionele toestanden dat de onpersoon de persoon overneemt. Het komt er dus op aan deze emotionele toestanden zoveel mogelijk te vermijden door een gezond en evenwichtig leven te leiden en als ze zich dan toch voordoen ons daar niet al te veel door te laten meeslepen. In de praktijk doen we dit door enkele inzichten die we verworven hebben uit ons geheugen op te roepen tijdens deze momenten. Het is goed om deze inzichten te verpakken in enkele mantra die we leren onthouden. Doe ik mijn goesting hier wel of is mijn actie of inactiviteit gestuurd doordat ik mijn gekwetste emoties terug beleef? Op den duur moet dit een automatische vraag zijn gedragen door ons onderbewustzijn.

Een deel van de mensen zijn echter geneigd om de onpersoon onberoerd te laten. Zij houden daardoor de negatieve krachten in stand door ze door te geven aan hun nakomelingen en aan de mensen die ze kwaad doen. Is hun onpersoon te groot? Zijn ze niet wilskrachtig genoeg? Zijn ze lui van geest? Werden ze onvoldoende gestimuleerd door hun omgeving? Ik weet het niet. Misschien is hun onpersoon net niet genoeg aanwezig geweest, waardoor ze de aanzet tot het innerlijk groeien steeds hebben kunnen omzeilen. Misschien zijn ze te slim voor hun eigen goed; zodat ze altijd excuses konden vinden. Ik denk dat de meeste mensen wel tot op zekere hoogte aan zichzelf werken; anders zou de wereld een onleefbaar kwaadaardige plaats zijn. Maar de meeste mensen lijken weer tot stilstand te komen van zodra zij succes hebben geboekt; tot er zich weer een obstakel op hun weg bevind of ze van hun sokkel dreigen te vallen. Ze verglijden daarbij telkenmale in conformisme; waardoor het kwaad weer in hun leven kan sluipen. De weinigen die de hele weg trachten af te leggen hebben er naar mijn inziens een lust voor ontwikkeld.

BETOVERING

Er is ook een rationele manier waarop we de persoon van de onpersoon kunnen scheiden. Dat kunnen we door het schone van het lelijke te onderscheiden. Wat is een mooi menselijk lichaam en hoe is dat lichaam verbonden met de persoon of onpersoon. Een fit lichaam is mooi omdat het een lichaam is van iemand die gedisciplineerd lijkt en dadendrang uitstraalt. Het is dus iemand die zijn lusten lijkt te verwezenlijken. Daartegenover staat een dik of slap lichaam. Het is een lichaam van iemand die ongedisciplineerd en lui in het leven lijkt te staan en dus gedomineerd lijkt te worden door zijn onpersoon. De menselijk natuur heeft ervoor gezorgd dat we gedisciplineerde mensen mooier vinden dan ongedisciplineerde mensen. Om op deze manier de persoon van de onpersoon te onderscheiden moeten we natuurlijk wel ons vertrouwen aan de natuur geven. Op eenzelfde manier kijken gezonde mensen naar de menselijke geest. Neemt een persoon veel initiatieven in het leven, realiseert hij zijn dromen, dan vinden we dat een mooie mens of kijken we naar hem op. Is hij volgzaam en durft hij geen eigen initiatief te nemen dan vinden we deze mens weinig inspirerend. Op die manier brengt de natuur een natuurlijke hiërarchie tot stand waarbij de betere mens niet alleen hoger geraakt, maar ook mooier wordt. Schoonheid is dat wat tot bloei komt. Mensen die de bloemetjes buiten zetten geven dit onbewust aan.

Vanuit de duistere romantiek kan schoonheid echter verdraaid worden. De duistere romantiek verheerlijk niet de lelijkheid, maar ook niet de volle schoonheid. Het gaat vaak over mooie mensen en dingen waar een hoekje af is. Een vervallen kasteel, een met mos begroeide sculptuur, een mooi lichaam met een gevaarlijke uitstraling. Louter mooie dingen en mensen zijn voor duistere romantici verdacht. Is er geen hoekje af dan wordt het als niet helemaal oprecht ervaren. Wat perfect is voelt vals of oppervlakkig aan. Duistere romantici herkennen de onpersoon dus niet alleen in het lelijke, maar ook in hetgeen te mooi is om waar te zijn. Eerder dan de bloemetjes buiten zetten zullen duistere romantici een tuin met wilde bloemen aanleggen. Duistere romantiek is de schoonheid van de epicurist.

Naast schoonheid en duistere schoonheid is er ook nog sfeer. Terwijl schoonheid te vinden is in het object die de lust of de natuur tot stand brengt, is sfeer te vinden in schoonheid dat in beweging is. Sfeer kunnen we vinden wanneer we een compositie van objecten observeren en in die compositie onze blik van object naar object laten zweven; waarbij we onze blik nooit concentreren op een enkel object uit de compositie. Bij elke verschillende compositie en elk verschillend object in de compositie ontstaat een andere sfeer. Deze sfeer kunnen we alleen gevoelsmatig begrijpen. Wanneer lelijkheid aan de compositie wordt toegevoegd kan dat de sfeer verpesten.

Hoewel we de onpersoon rationeel van de persoon kunnen onderscheiden, door te determineren wat lelijkheid en schoonheid is, blijft het herkennen van schoonheid en lelijkheid een gevoelsmatig proces. Het rationele is alleen maar een middel om de lust te helpen realiseren, de voldoening die uit de gerealiseerde lust of uit het realiseren van de lust ontstaat is een gevoel. Voldoening is echter een basaal gevoel. Er bestaat ook een hogere voldoening en dat is betoverd worden. Het herkennen van schoonheid kan ons echter niet betoveren, alleen sfeer is daartoe in staat. Ik weet niet zeker waarom. Ik kan alleen observeren dat de voldoening die ervaren wordt bij het voelen van sfeer een gevoel van een gevoel is, terwijl de voldoening die geëxtraheerd wordt uit schoonheid alleen maar het voelen van een object is. Ik weet ook niet zeker of alle mensen over dit zesde zintuig beschikken om sfeer te kunnen voelen. Ik ben er wel zeker van dat hedonisten het verleren; als ze het al hadden.

Daarnaast komt het mij voor dat alleen een compositie van duistere schoonheid tot sfeer kan leiden, terwijl een compositie van schoonheid alleen maar tot meer en andere schoonheid lijkt te leiden. Maar dat is misschien hoe mijn zesde zintuig is afgesteld.

Wat er uit dit hoofdstuk volgt is dat er een hiërarchie bestaat in de set van lusten. Onderaan deze hiërarchie staat schoonheid, daarna komt duistere schoonheid en ten slotte sfeer. Daarnaast staat een enkelvoudige object lager aangeschreven dan een geheel van objecten. Een manifestatie van de lust dat meerdere invalshoeken heeft is beter dan wanneer het maar uit een enkele invalshoek bestaat. Dit zijn meteen ook parameters die in de kunst kunnen gebruikt worden.

PARIA

Negatieve krachten komen in de mens en negatieve mensen vinden hun weg in negatieve systemen, die de mens dan weer op een negatieve manier beïnvloed. Als de mens deze communicerende vaten niet doorbreekt dan versterken ze elkaar. Hoe meer deze systemen invloed hebben op de beschaving hoe moeilijker het wordt om het licht te zien. De hele beschaving kan daardoor verziekt worden. In dat geval kan het zijn dat de mens die uit het dal klimt en een betere mens wordt dreigt te botsen met de samenleving, In plaatst dat hij beloond wordt voor zijn zielenreis wordt hij een paria in een zelfzuchtige wereld. Hoe groter hij als mens wordt, hoe minder hij gecorrumpeerd wordt, hoe meer hij buiten het alles verzengende systeem valt. Hoe meer we botsen met het systeem hoe meer de onpersoon zich echter verraad. Elk conflict kan een aanleiding zijn om bij onszelf stil te staan en aan onszelf te werken. Het is spijtig voor de wereld dat de mens die zichzelf verbetert verhinderd wordt zijn lusten te manifesteren, maar net daardoor wordt de zichzelf verbeterende mens aangezet om nog diepere gronden te verkennen. Een slappe onnatuurlijke maatschappij schept daardoor sterkere zelfstandigere mensen. Wanneer alles ten onder gaat zijn het deze mensen die de mens zullen dragen. Voor deze tijd aanbreekt leiden zij echter vruchteloze levens. Maar dan, net zoals in de kunst – en filosofiewereld, komen hun manifestaties in een later stadium bovendrijven. Zij zullen echter al reeds lang elders zijn.

SCHULD (WAT ZAL ZIJN)

EEN CIRKEL IS ROND

De conclusie die uit de voorgaande hoofdstukken getrokken kan worden is dat het leven alleen maar kan zijn als de mens verder leeft na de dood op Aarde en dat sommige van deze mensen voor altijd verder leven in hun wereld van milde eeuwig wederkerende lusten.

De Norn Wordend is een moeder en de Norn Schuld is haar dochter. De moeder doet het leven ontstaan. De dochter is het ontstane leven dat daaruit voortvloeiend verder leeft.

In het multisolipsisme staat de mens als levend wezen centraal. Deze mens heeft eeuwig geleefd in zijn voorouders en heeft het potentieel eeuwig verder te leven met zichzelf. Alles wat hij schept, inclusief de wereld waarin hij leeft, zal echter sterven. Alle levende wezens die in zijn wereld verschijnen zullen op een dag ook verdwijnen. Maar het in zijn wereld centraal staande individuele wezen zal nooit echt sterven.

Sterven is voor hem de manier waarop hij de wereld om hem heen kan transformeren. Dit is echter geen bewuste beslissing, maar de consequentie van een persoon te laten geboren worden in het leven. Is deze persoon levensvatbaar dan transformeert het onderbewustzijn in het stervensproces zijn wereld tot een vernieuwde en kleinere wereld dat beter bij zijn persoon past. Tot de persoon helemaal gevormd is zal zijn wereld telkenmale transformeren naar een andere wereld bij het sterven. Is zijn persoon helemaal gevormd dan is hij waar hij moet zijn. Als hij dan sterft zal er geen transformatie meer gebeuren, hij zal verschijnen waar hij stierf. Het zal dan overkomen alsof hij onsterfelijk is.

TRANSFORMATIE

De Aarde en ons aardse lichaam krijgen we mee van onze voorouders. Dit is echter een tijdelijk en vergankelijk vehikel om onze persoon in te laten geboren worden. Het eigenlijke lichaam en de eigenlijke wereld van de persoon kan pas gevormd worden als de persoon gefinaliseerd is. Het sterven van het voorouderlijk lichaam is in feite het transformeren van hetgeen we hebben gekregen naar het hetgeen vorm wordt gegeven.

Denkend of intuïtief handelen, observeren en dromen zijn de normale toestanden van elk levende wezen. Aan de tijd die nooit echt stil staat passen we onszelf constant aan. Deze toestand is een wisselwerking tussen het onderbewustzijn, het bewustzijn en het geheugen. Daarbij is het denken op zichzelf een faculteit van het onderbewustzijn. De structuren, hetgeen waarover we denken en de kleur van onze gevoelens wordt ons aangeleverd door het geheugen. Tenslotte geeft ons gevoel dat zich in het bewustzijn bevindt richting aan ons denken bij ieder argument en iedere vergelijking die we maken. Ervaren we voldoening dan komt het bewustzijn even los te staan van het onderbewustzijn. Voldoening is daardoor een ongrijpbare ervaring dat buiten het denken staat. Het is voelen zonder meer. Wanneer we betoverd worden komt het onderbewustzijn nog verder te staan. Daardoor associëren we betovering met een mystieke ervaring. Sterven is hierin de overtreffende trap. Het stervensproces is zo’n fenomenale ervaring dat het bewustzijn zo ver van het onderbewustzijn komt te staan dat het onderbewustzijn onafhankelijk opereert met het geheugen en ze elkaar ongecontroleerd kunnen herprogrammeren. Wanneer het bewustzijn dan terug aansluiting vindt is het onderbewustzijn zodanig aangepast dat men zich in een ander lichaam en wereld bevindt.

De wereld die vorm heeft gekregen in het sterven heeft het overtollige afgeworpen waardoor de wereld specifieker en kleiner is geworden. De persoon en zijn realiteit vormen daarna een hechte eenheid. De gestorvene komt als het ware thuis in een volmaakt lichaam en wereld. Thuis maakt hij zijn eeuwige wederkeer waar; voor altijd.

HIERNAMAALS

De wereld die na het stervensproces tot stand komt, het hiernamaals dus, is hoogst waarschijnlijk geen alleenstaand geval. Wellicht zal deze wereld grote overeenkomsten hebben met de werelden van eerder gestorven mensen. Deze werelden zullen daarom samenvloeien tot een enkel hiernamaals; net zoals de Aarde een samenvloeiing is van alle werelden die gevormd worden door alle mensen die op Aarde leven. Er is een grote kans dat de directe lijn voorouders, gestorven kennissen en familie deze realiteit delen, omdat zij het dichtst bij de gestorvene staan. Radicaal andere ervaringen en woonplaatsen kunnen echter zorgen voor een andere wereld.

Ik stel mij daarbij voor dat de streek op Aarde (of een lappendeken van plaatsen) waarin men heeft geleefd wordt herschapen in het hiernamaals, terwijl de rest van de Aarde in een mist van vage herinneringen verdwijnt. Doordat het hiernamaals en de Aarde in den beginnen nog vaag overeenkomen is er misschien communicatie mogelijk tussen de twee werelden. Maar wanneer de tijd verstrijkt verandert de Aarde, terwijl het hiernamaals steeds volmaakter wordt. Zo groeien beide werelden langzaam uit elkaar tot ze volledig van elkaar gescheiden zijn.

POSTHALLUCINATIE

Terwijl de hallucinatie op Aarde een teveel aan wereld schept dat de persoon in zijn groeien belemmert in een wereld dat reeds alles heeft om tot volmaaktheid uit te groeien, kan de hallucinatie in het hiernamaals een middel zijn om de mist die het hiernamaals omsluit vorm te geven. Theoretisch gezien kan het onder de knie krijgen van hallucineren het hiernamaals uitbreiden of kan men via die techniek zelfs toegang krijgen tot andere werelden. (Wanneer men de wereld voor de wereldgenoten onacceptabel transformeert vindt het object van de transformatie alleen plaats in een andere realiteit.) De vraag is echter dezelfde als die op Aarde. Waarom zou een volmaakte mens uit zijn volmaakte wereld willen ontsnappen? De enige reden dat ik kan bedenken is dat men geliefden die men niet in het hiernamaals terugvindt wenst te zoeken. De kans is echter groot dat deze mensen geen hiernamaals hebben weten te scheppen en dus nimmer terug kunnen gevonden worden.

Het idee achter mijn kunstwerk Landmark, het oudste ontwerp uit mijn Anodos print serie, is om een uniek herkenningspunt te creëren. Wanneer vrienden en familie kennis nemen van de toren en zich de toren kunnen herinneren in het hiernamaals kan de toren als een soort van poort fungeren om elkaar weder te zien; indien allen natuurlijk in staat zijn om de realiteit te veranderen zodat die toren geschapen kan worden. Zij hoeven dan enkel de mist in te lopen die hun hiernamaals omsluit. Dan laat ik bij de toren aanwijzingen achter van mijn realiteit, opdat mijn familie en vrienden via de toren mijn realiteit kunnen scheppen en zo mij terug kunnen vinden in het multiversum. Als er in twee dimensies exact dezelfde unieke plek bestaat, dan zou het wel eens kunnen dat dit een soort van poort creëert waarin mensen van verschillende dimensies elkaar kunnen ontmoeten. Op die manier zou het idee van de toren een ontmoetingsplek kunnen worden, mits men in elke realiteit zo’n toren maakt op een gelijkaardige plek.

ONBEWUSTZIJN

Leven – bewustzijn – tijd bevindt zich tussen het eindige en het oneindige. De tegenovergestelde zijnstoestand van het bewuste is het onbewuste. Als het bewuste het leven en de tijd is, dan is het onbewuste de dood en het stoppen van de tijd. Het transformatieproces van het bewuste naar het onbewuste is de transformatie van het bewuste naar het eindige of oneindige. Aangezien het leven alleen kan voortkomen uit het leven, is dit transformatieproces eenmalig. Eenmaal onbewust zit het zijn gevangen in het tijdloze.

Hoe komt dit transformatiepunt nu tot stand? Het dagelijks functioneren wordt gekenmerkt door het ervaren van een constante stroom aan begrippen; die ik gebruik om te communiceren, te denken of te voelen. Deze begrippen kunnen enkel begrepen worden als ze betekenis hebben. Betekenis kan enkel tot stand komen in een hiërarchie. Nu, wanneer de hiërarchie wordt afgebroken verliezen de begrippen betekenis. Op die manier schuift het bewuste dichter bij het oneindige, dat gelijk staat aan betekenisloosheid. Omgekeerd, wanneer de hiërarchie zich te veel vernauwt tot één begrip (bijvoorbeeld God) krijgt dat begrip te veel betekenis om nog begrepen te kunnen worden. Op die manier resulteert het eindige en het oneindige in dezelfde betekenisloze zijnstoestand.

Het onbewuste leidt tot een zijn, namelijk het onbewustzijn. Er is dus geen niet bestaan. Wat er wel gebeurt is dat het onbewuste zijn geen deel meer uitmaakt van het multiversum, omdat het een einde stelt aan de realiteit. Het leven stopt, de tijd stopt, maar het zijn stopt niet. De persoon wordt leeg. Het is in deze leegte waar het bewuste gefixeerd in staart. Maar doordat hij zijn bewustzijn niet meer kan lostrekken van die staar spreek ik van een onbewustzijn: de persoon als bevroren in één betekenisloze eeuwige ervaring; waar noch pijn noch lust is.

Het is tijdens het stervensproces dat we het gevaar lopen naar onbewustzijn te transformeren. Zoals ik schreef is sterven een ervaring dat zo fenomenaal sterk is dat het sterven het bewustzijn aan de rand brengt van gescheiden te zijn van het onderbewustzijn. Een persoon met een set van lusten waarnaar hij eeuwig kan wederkeren zal zich na het wegebben van de sterfervaring terug binden met zijn onderbewustzijn. Een persoon die niet wist te groeien tot dat niveau loopt het gevaar dat hij die binding niet meer kan maken. In de plaats dat de sterfervaring wegebt komt er geen einde aan. Het bewustzijn is dan gevangen in het onbewustzijn dat onbewogen, niet groeiend en niet delend is. Met het onbewustzijn komt het leven dus in een dode toestand. Zonder onderbewustzijn verdwijnt de structuur in het geheugen en met het verdwijnen van de structuur maakt betekenis plaats voor leegte. Het stervensproces is zoals alle voelen een gekleurd en dus aantrekkelijk gebeuren, maar doordat het geheugen transformeert tot leegte kan men zich uiteindelijk alleen leeg voelen in de onbewuste toestand. Alle dode wezens die zich in een onbewuste toestand bevinden voelen dus hetzelfde. Ook daarin is het eindige en oneindige hetzelfde. God en Satan zijn beiden Jötun, beiden zijn zij bloeddorstige gulzige menseneters, die de eindige en oneindige ingang tot de leegte symboliseren.

De onvolmaakte mens loopt dus op de grens tussen het leven en de dood. Is hij te onvolmaakt dan is de levenslijn tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn te slap en zal hij bij het sterven naar het onbewustzijn transformeren. Is hij volmaakt genoeg dan krijgt hij nog een tweede kans in zijn hiernamaals.

ONGEBOREN

De vraag reist wat er gebeurd met de mensen die door ongeluk te vroeg zijn gestorven. Bijvoorbeeld als kind of zelfs als pasgeborene. Zij ondergaan hetzelfde lot als de oermensen. Ze konden zich niet volmaakt maken omdat de persoon in hen niet kon geboren worden. Ze konden zich echter ook niet te onvolmaakt maken omdat de onpersoon hun leven niet kon overnemen en degraderen. Ze zijn feitelijk maagdelijke kinderen en krijgen dus net als zij die net volmaakt genoeg zijn na hun dood een tweede kans om zichzelf te vervolmaken. De onaangetaste voorouderlijke lichaamsbouw die hen dit leven gaf zal hen ook doorheen het stervensproces helpen loodsen.

MORAAL

Als Westerse man is voor mij de weg duidelijk. Het onbewustzijn is de dood en dat moet ik trachten te vermijden. Daarentegen is het hiernamaals hetgeen wat ik moet trachten te bereiken. Ik moet me dus een set van lusten eigen maken die interessant genoeg zijn om mij te kunnen blijven boeien, maar mild genoeg zijn om ook in de toekomst gerealiseerd te kunnen worden. Om dit te realiseren moet ik mijn angsten overwinnen en mezelf de waarde geven die ik als mens verdien. Door mijn onpersoon te laten ineenkrimpen kan mijn persoon oprijzen. Dat is de basis van mijn moraal. Verder heb ik geen identitaire of religieuze moraal nodig; noch een identiteit of religie.

Mijn spirituele weg is een aardse weg. Het staat in schril contrast met de spirituele wegen van het Oosten. In het Oosten is het onbewustzijn het einddoel. Alleen het onbewustzijn betekend immers het loslaten van het aardse bestaan dat ons steeds weer pijn doet. Zoals ik beschreef is de goddelijke ervaring van het finale sterven maar een tijdelijk ervaren dat vlug veranderd in een leegte-ervaring. De leegte is zeker geen god, noch is het de bron van het leven. Alleen het leven kan immers het leven voortbrengen. De leegte is nirwana; niet-zijn, onbewustzijn.

Wie bereikt nirwana? Zij die geen levensvatbaar persoon tot stand kunnen brengen. Doordat zij zich laten beknotten door hun angsten en zich dan maar ter compensatie laten leiden door lust dat hen enkel maar kortstondig van hun pijn doet verlossen. Als antidota voor dit chaotisch en pijnlijk bestaan zijn er veel mensen die dan maar het spirituele pad opgeven door hun geest te onderwerpen aan dat van een collectief systeem; door braafjes de regels te volgen. Tenslotte zijn er de vele mensen die wel aan hun geest willen werken, maar misleidt worden door de Oosterse weg. Vaak komen de collectieve systemen uit het Oosterse denken. Hun regels zijn er voor het volk, hun misleiding voor de elite.

LICHTELFEN

Ik zou een heel boek kunnen schrijven waarin ik mijn filosofie, kosmogonie en spiritualiteit vergelijk met de Germaanse mythologie. Laat ik voor dit laatste hoofdstuk een stukje van de sluier lichten door het te hebben over de zwarte elfen en de lichtelfen en de respectievelijke domeinen waarin zij leven. Ik associeer het domein van de zwarte elfen met het hiernamaals en de zwarte elfen (bij ons beter bekend als kabouters) met de volmaakte mens, die in het hiernamaals leeft. Zijn kleine gestalte symboliseert het lichaam van zijn persoon, dat kleiner is dan het voorouderlijke menselijke lichaam. Zij leven in holen in de aarde en dat symboliseert de Westerse aardse spiritualiteit. De kabouters treden op als huisbewaarders. Als ze gerespecteerd worden stellen ze zich dienstbaar op. Als ze geen respect krijgen worden het kwelgeesten. Ook hierin zien we de relatie van de gestorven voorouder tot de nog op Aarde levende nakomeling, die de kabouter zijnde voorouder wilt beschermen of net pesten, afhankelijk hoe hun relatie was in het leven. Kabouters worden ook geassocieerd met grafheuvels, dat spirituele plaatsen waren om terug in contact te treden met de voorouders.

De lichtelfen leven in een ander domein in de Germaanse mythologie. Hen associeer ik met de dageraad van de tijd, toen de dieren nog spraken en de wereld volmaakt en betoverend mooi was. Het domein van de lichtelfen is dat nog steeds. De Aarde is echter geëvolueerd naar de staat waarin ze nu is. In mijn interpretatie zijn de lichtelfen de oorspronkelijke oervoorouders. Zij hebben de Aarde geschapen en hebben door met elkaar te paren de oermensen op hun wereld gezet. De oermensen, die net zoals alle mensen mindere wezens zijn die in het leven moeten groeien naar een volmaaktere staat van zijn, hebben net doordat ze mindere wezens zijn de wereld weg laten evolueren van haar volmaaktheid. De lichtelfen trokken zich echter terug in hun volmaakte wereld, waardoor de Aarde en het domein van de lichtelfen een andere koers zijn gaan varen en van elkaar gescheiden geraakten in twee verschillende werelden. Ook dit is een herkenbaar thema. Net zoals de kabouters kunnen de lichtelfen door hallucinerende mensen, die doorheen de sluiers kunnen kijken dat de werelden van elkaar scheiden, nog waargenomen worden.

De clou van dit laatste hoofdstuk is dat de kabouters en lichtelfen eigenlijk dezelfden zijn. De kabouters zullen uiteindelijk voor toekomstige oermensen de lichtelfen worden en de lichtelfen waren voor zij de oermensen voortbrachten kabouters. Hierin ligt een grotere cyclus van het leven verborgen. De Aarde en de mensen op Aarde zullen uiteindelijk sterven, de zonnen zullen uitdoven en het universum verduisteren en verkillen, maar de volmaakte mensen kunnen hun hiernamaals omvormen tot een nieuwe Aarde, waardoor de cyclus terug van voren af aan begint. Zo continueert het leven doorheen de tijd. Het leven kan alleen uit het leven ontstaan. Er is geen begin of einde; geen bron of monding. Het leven kan alleen maar zijn als er ook een hiernamaals mogelijk is. En het kan alleen maar zijn als er altijd mensen zullen zijn die volmaakt worden. Aangezien het leven er is, is dat de tegane weg. Dat is wat het leven mij vertelde.