Wie is kunstenaar
Concluderen & Definiëren
KLEPTOGAAM
Kleptogamie is een term uit het dierenrijk. Het duidt op bepaald gedrag binnen een sociale groep dieren die gestructureerd zijn rond een sterkste mannetje dat voor de voorplanting strijdt. Een kleptogaam mannetje is een zwak mannetje dat er toch in slaagt zich voort te planten. In plaats dat hij zich inzet om het sterkste mannetje van zijn troon te stoten, zoals de andere mannetjes, zet hij zijn energie in om het sterkste mannetje na te bootsen. Imitatie is de kleptogame strategie. Dat doet hij in de periferie van de groep en op een onbewaakt moment. Kleptogame mannetjes kunnen hun gedrag immers met de dood bekopen. Ook bij de mensen bestaat kleptogaam gedrag. Denk aan iemand die voor een dag een pooierbak huurt om zich als succesvol voor te doen. Extremer kan een verkrachting als kleptogaam gedrag beschouwd worden.
In elke gegeven gemeenschap, zowel bij mensen als bij dieren, kunnen we steeds drie (traditioneel mannelijke) functies onderscheiden. Deze functies zijn de leider, maker en verkenner; die alle drie even noodzakelijk zijn voor het welvaren van de gemeenschap. De leiders en verkenners zijn evenwel dun gezaaid, terwijl de makers steeds de massa uitmaken. Binnen deze drie functies zijn er steeds vier groepen te onderscheiden. De meesters die leider, maker of verkenner zijn geworden. De groeiende mensen die er naar streven om meester te worden. De nederige mensen die de wilskracht ontberen om te groeien. Tenslotte zijn er de huichelaars, die kleptogamie als strategie aanwenden. Zij kiezen voor de gemakkelijke weg ten koste van hun medemens. Deze weg is echter oppervlakkig en daardoor kortlevend, waardoor de kleptogaam steeds nieuwe doelgroepen moet vinden. We laten ons immers maar voor een bepaalde tijd bedotten alvorens we de dader ontmaskeren.
Deze huichelaars vindt men ook terug in de kunstwereld; misschien zelfs meer dan in andere sectoren van de samenleving. Waarom? Omdat we in de postmoderne tijd leven met als kenmerk een aversie tegenover het culturele waardeoordeel. Daardoor kan alles kunst zijn; alles is door de postmoderne bril gezien immers evenwaardig en moet met evenveel belangstelling en respect behandeld worden. Daardoor wordt de rode loper natuurlijk uitgelegd voor de huichelaar. Hoe houden de postmodernen de kunstwereld dan werkbaar? Er moet immers gediscrimineerd worden om te kunnen functioneren. Door in te zetten op inhoudsloos krediet. Niet de kwaliteiten van het kunstwerk zijn van tel, maar wel het succes van de kunstenaar. Verkennend werk schept echter inhoud, dat op zijn beurt een cultureel waardeoordeel tot leven wekt. De verkennende kunstenaar krijgt in de postmoderne tijd dus geen kredieten, hij wordt in tegenstelling een vijand van de postmoderne macht. De huichelaar streeft echter succes na. Voor hem is kunst alleen maar het middel. Hij confirmeert zich aan de zittende macht. De huichelaar loopt daardoor weg met de kredieten en laat de kunstenaar die hij imiteert in de kou staan.
We zijn ondertussen naar zo’n postmodern niveau gezakt dat kunstenaars zich niet meer willen associëren met de kunstwereld. Deze wordt immers volledig gedomineerd door huichelaars en postmoderne machthebbers. Succes is hol geworden. Het zegt eerder iets over de bereidwilligheid te buigen voor het systeem dan dat het de kwaliteiten van de kunstenaar aan het licht brengt. Uiteindelijk zal de kunstwereld ook ontmaskerd worden. Maar het zal nog een heel eind duren eer de duisternis de wereld zodanig versluierd dat het licht van een verwaarloosde kaars opvalt.
KUNSTENAAR
In de hedendaagse beschaving zijn de verkenners, makers en leiders onderverdeeld in uiteenlopende beroepsgroepen. De beeldende kunstenaar is onder anderen een beroepsgroep behorende tot de verkenners. De taak die deze beroepsgroep toebedeeld kreeg is het verkennen van culturele gronden door middel van beeld. Het is hun taak om de huidige culturele staat beeldend te begrijpen, haar grenzen af te tasten en te leren zien waar de cultuur naar toe gaat. Doordat de cultuur zich steeds in een cyclus voortbeweegt komen de grenzen van de cultuur steeds in het duister te liggen. Op die manier kunnen we onze cultuur nooit ten volle begrijpen. Het is de taak van de kunstenaar om zich in die culturele duisternis te verplaatsten, opdat de hele samenleving zichzelf beter kan leren begrijpen, richting kan geven en weerbaar kan maken. Doet hij dat niet dan dreigt de samenleving opgeslokt te worden door de kosmische wolf, die de samenleving achtervolgt door haar reis doorheen de tijd. De beeldende verkenner heeft dus een belangrijke taak te vervullen.
De beeldende verkenner zit in het bad met andere kunstzinnige verkenners zoals muzikanten en poëten. Filosofen en wetenschappers zijn echter verkenners van een andere orde. Hun logische en methodische verkenning is eerder bewust, terwijl de kunstzinnige verkenning zich eerder leent tot een intuïtief verkennen. Een kunstenaar kan natuurlijk ook rationeel te werk gaan, maar in het actief maken van kunst heeft hij daarnaast ook toegang tot een begrijpen die voorafgaat aan het kunnen plaatsten van wat begrepen wordt in de structuren en constructies van het denken. Daardoor kan hij verder in de duisternis tasten dan de verkenner die enkel met rationele kaders werkt. Of kan hij meer risico’s nemen. Kunst is niet alleen het resultaat van zijn zien, het maken van kunst is ook het middel om te zien.
Het hoogste waar een kunstenaar naar kan grijpen is het zien in de toekomst. Zijn kunst wordt dan een simulatie van waar de samenleving in de toekomst zal zijn. Hij brengt nieuwe elementen in het speelveld van de kunsten. Het is echter moeilijk om zo’n kunstenaar erkenning te geven tot de simulatie en de samenleving effectief in elkaar beginnen over te gaan. Evengoed kan zijn zien een waan zijn en zijn kunst een waanbeeld. Tot er hierover duidelijkheid geschapen is wordt hij vaak bij de outsiders geplaatst. Outsiders zijn kunstenaars die de bal misslaan doordat ze kunst maken die behoort tot een culturele tijdsperiode dat in het heden niet relevant is en in de nabije toekomst niet relevant zal zijn. Dat wilt echter niet zeggen dat hun kunst geen waarde heeft of niet goed is. Hun kunst is enkel misplaatst in de tijd.
Als de simulatie navolging krijgt dan spreken we van een kunststroming. Dit gebeurd vaak op het moment dat de simulatie en de samenleving in elkaar beginnen over te vloeien. Op dat moment zal de simulatie ook richting beginnen geven aan de samenleving. De visionaire kunstenaar ziet dus niet alleen in de toekomst, hij vormt de toekomst ook. Pragmatische kunstenaars, die als eerste zien dat het visioen en de simulatie van de visionaire kunstenaar het bij het rechte eind heeft, springen dan op de kar. Zij zien als eerste dat de samenleving effectief draait naar de toekomst die de visionaire kunstenaar geschetst heeft. Zij geven daarmee erkenning aan het visioen. Maar zij doen meer dan dat. In hun rol als kunstenaar zullen deze verkenners de grenzen van het visioen verder aftasten en vorm geven. Sommige van deze pragmatische kunstenaars moeten daarbij niet onderdoen voor de visionaire kunstenaar. Uit het aftasten en vormen van de grenzen van het visioen kan immers een nieuwe kunststroming ontstaat of kan de simulatie geperfectioneerd worden tot een hoger niveau. Daarom is het vaak moeilijk voor kunsthistorici om achteraf de belangrijkste figuren van een kunststroming te ontleden, het is niet altijd duidelijk wie de visionaire kunstenaars waren en wie de eerder pragmatische kunstenaars, die in hun voetsporen zijn getreden. Maar misschien is dat ook niet zo belangrijk. Pragmatische en visionaire kunstenaars vormen immers een interne dynamiek; zij kunnen niet zonder elkaar. Wat zij gezamenlijk tot stand hebben gebracht is vaak belangrijker dan hun individuele werken.
Eenmaal een stroming furore heeft gemaakt en enige bekendheid heeft verworven binnen de kunstwereld begint een tweede generatie kunstenaars de stijlkenmerken vast te leggen. Daarbij spannen ze de nieuwe culturele grond af, zodat de samenleving veilig kan oversteken. Zij maken de kunststroming toegankelijker en openen het naar een breder publiek. Deze groep kunstenaars zal de grenzen sluiten en uiteindelijk vastleggen in een format. Een derde generatie kunstenaars gaat dan bepaalde aspecten van het format uitpuren, waarbij de kunststroming zich vertakt in varianten.
Voor mij zijn de hierboven beschreven kunstenaars allen echte kunstenaars; ze doen immers allen verkennend werk. Maar binnen deze groep bestaat er wel een hiërarchie, waarbij de visionaire kunstenaar bovenaan staat en de uitpurende kunstenaar onderaan.
IMITATORS
Als een kunstenaar lang kunst maakt ontwikkeld hij na een tijd een soort van handtekening die hem onderscheid van andere kunstenaars binnen dezelfde kunststroming. Net doordat hij als kunstenaar de grenzen van de kunststroming individueel herdefinieert, verlegt of vernauwt gaat hij ook specifieke persoonlijk stijlkenmerken ontwikkelen. Hij ontwikkeld dus een format binnen het format van de kunststroming. Het is dit persoonlijk format dat de de grenzen van de kunststroming in zijn geheel beïnvloed, waarbij de verkenner dus zijn verkennende rol speelt binnen de samenleving. Men kan dus stellen dat elke kunstenaar een eigen simulatie op poten zet, waarvan sommige simulaties een grote eigenheid hebben en andere eerder aansluiten bij bestaande simulaties. Uit de simulaties met een grotere eigenheid kunnen nieuwe visies ontstaan en dus nieuwe simulaties.
In het actief maken van kunst gaat de kunstenaar de grenzen van zijn eigen simulatie steeds trachten te verleggen door zijn eigen format te evalueren en zo te laten evolueren. De kunstenaar kan er echter ook voor kiezen variaties te maken van het format dat hij tot ontwikkeling heeft gebracht, zonder het format verder te ontwikkelen of te laten evolueren. In dat geval verschuift de kunstenaar van een verkennende functie naar een makersfunctie. We noemen hem nog een kunstenaar, omdat hij vertrekt van een zelf ontwikkeld format, maar hij doet dan niet meer het werk van een kunstenaar; hij doet eerder het werk van een uitvoerend maker.
Een uitvoerend maker imiteert zijn meester tot hij zelf de meestertitel heeft verworven. Als meester maker kan hij de meest kwalitatieve imitaties tot stand brengen en dit wederom overbrengen aan zijn leerlingen. Ook binnen de kunstwereld zijn er uitvoerend makers actief. We hebben natuurlijk de makers van reproducties en de restaurateurs van oude waardevolle kunstwerken. Maar de groep die ik hier wil bespreken zijn die van de creatieve uitvoerende makers; die bekend staan als de amateurkunstenaars. De amateurkunstenaar doet in feite wat de kunstenaar doet die variaties van zijn eigen format maakt zonder nog langer verkennend werk te verrichten. Het verschil is echter dat de amateurkunstenaar vertrekt vanuit een format die hij niet zelf tot stand heeft gebracht. Hij leent als het ware het format van een kunstenaar en maakt binnen dat format eigen variaties. Hij imiteert dus de kunstenaar, zonder dat hij de bedoeling heeft de grenzen van het format te verleggen.
Ik heb geen enkel probleem met de amateurkunstenaar die als creatieve maker enkel voor zijn eigen genot variaties maakt. Ik heb zelfs geen probleem met het op de markt brengen van deze variaties of het tentoonstellen ervan. Ik heb er wel een probleem mee als de amateurkunstenaar zijn werk kunst begint te noemen en hij aanspraak begint te maken op de middelen en ruimte die voor kunst bestemd zijn. Amateurkunstenaars die zichzelf voordoen als kunstenaar noem ik huichelaars; het zijn voor mij pseudokunstenaars.
VERBANNEN
Onze samenleving zit in haar culturele eindtijd. In onze tijd en ruimte heet deze episode van de culturele cyclus het postmodernisme. Alle eindtijden gaan eigenlijk gepaard met het in twijfel trekken van de eigen waarden en met een influx aan vreemde culturen. Het postmodernisme volgt op het modernisme dat in essentie de tot lege doos geworden cultuur nieuwe invulling trachtte te geven. Wat op zijn beurt leidde tot een reeks utopische maatschappelijke projecten, die faliekant mislukten. Het modernisme volgde dan weer op de Romantiek, die voor het eerst beseft dat de cultuur leeg is en in essentie het nostalgisch verlangen uitdrukt naar een cultureel hoogstaande tijd, maar ook beseft dat deze tijd alleen nog in de individuele ervaring tot stand kan komen.
Het postmodernisme, dat in den beginne tot stand kwam met waardevolle of op zijn minst interessante argumenten, zal uiteindelijk alles wat overblijft van de eigen cultuur en de eigen bevolking verketteren. Daarentegen hemelt ze de vreemdeling en de influx van vreemde culturen op. Het postmodernisme krijgt daarbij een religieus karakter, waarbij haar volgelingen zich als flagellanten gedragen, zichzelf geselend om de eigen cultuur weg te wassen. Het gevolg is dat elke culturele vernieuwing verdacht wordt. De kunstenaar die als verkenner nieuwe cultuur schept wordt verweten de cultuur die men wilt wegwassen terug tot leven te wekken. Het einde van de geschiedenis is geschied en het moet koste wat kost eindig blijven. Dat het postmodernisme en onze cultuur onderdeel is van een cyclus gaat geheel aan de postmodernisten voorbij. Het gaat er bij hen niet in dat een kunstenaar verder dan het postmodernisme zou kunnen kijken.
Het gevolg is dat inheemse kunstenaars alleen nog ruimte krijgen om het postmodernisme te bevestigen. Kunst wordt ingezet als geselmiddel dat op zoveel mogelijk domeinen de nog onaangetaste culturele waarden moet onderuithalen. Uitheemse kunstenaars worden dan weer aangezet om vanuit hun eigen cultureel perspectief een negatief oordeel te vellen over onze cultuur. Ondertussen proberen modernistische instituten zoals galeries, musea en scholen, die wisten voort te leven in de postmoderne tijd, zoveel mogelijk een neutrale positie in te nemen in de hoop dat zij het gelag niet hoeven te betalen. Om hun postmoderne sparringpartner zoveel mogelijk te vriend te houden geven ze eerder de voorkeur aan de pseudokunstenaar, die als amateurkunstenaar in eindeloze variaties het einde van de geschiedenis steeds opnieuw herhaalt. De verkennende cultuur scheppende kunstenaar wordt echter als gevaar gezien en met alle zonden van de cultuur geassocieerd. Wie kritiek heeft wordt doodgezwegen.
De postmoderne mens verwezenlijkt in het uitsluiten van haar verkenners het einde van de cultuur. In de cyclische beweging van de tijd wordt de staart van de culturele slang immers constant aangevreten; een slang die niet meer groeit zal uiteindelijk helemaal opgegeten worden. De kunstenaars die vandaag nog aan de bak komen zijn ofwel kunstenaars die het maakten in een tijd dat de modernisten nog enige macht hadden, ofwel kunstenaars die gereduceerd zijn tot agenten van de postmoderne ideologie, ofwel valselijk gekostumeerde pseudokunstenaars die de kunstliefhebber enkel en alleen maar het aura van weleer kunnen verkopen. De hedendaagse verkennende kunstenaars krijgen geen platform. Zij kunnen nergens naartoe met hun visioenen en simulaties. Zij zijn overgelaten aan zichzelf en kunnen eigenlijk alleen maar wachten tot het einde van de geschiedenis voorbij is. Op enige beloning of erkenning moeten ze niet meer rekenen. Zij werken voor de toekomstige mens, die ze zelf wellicht nooit zullen kennen. Een lot die ze delen met enkele visionaire kunstenaars van het verleden, met dat verschil dat zij in het volle besef leven dat hun toewijding hen in dit leven niets zal geven. Geen wonder dat zovelen de handdoek in de ring gooien of capituleren voor het tijdsgewricht waarin wij leven.
WIJSGERIG
Een kunstenaar zou er natuurlijk kunnen voor kiezen een pseudokunstenaar te worden, al is het maar om een deel van de koek tot zich te nemen dat hem rechtmatig zou moeten toekomen. Uiteindelijk willen we allemaal op de een of andere manier voor ons werk beloond worden of erkenning krijgen. De accumulatie van status en financiële voorspoed zijn de gemakkelijkste manieren om het goede leven te bereiken. Maar een kunstenaar kiest niet voor het kunstenaarschap, hij is kunstenaar of hij dat nu wilt of niet, verkennen is zijn natuur. In de rol van pseudokunstenaar zou hij simpelweg niet genoeg voldoening ervaren en succes zal nooit de zingeving kunnen evenaren die hij vindt in de verkenning. Uiteindelijk geraakt de kunstenaar alleen echt in vervoering wanneer hij effectief de grenzen kan verleggen van zijn simulatie door het maken van een kunstwerk of bijhorend narratief. Gedreven door nieuwsgierigheid vergaard hij steeds meer informatie en blijft hij zich bijscholen. Hij legt nieuwe verbanden en maakt steeds de nuance om uiteindelijk punten van inzicht te verwerven. Zo zet hij weer een stap verder en maakt hij zijn wereld rijker op zijn eeuwige pad voorwaarts doorheen de cyclische tijd. In de kern begeren alle verkenners wijsheid.
PRIMORDIALISME
Onder druk van de postmodernen hebben de laffe modernen de kunstenaar in feite uit hun eigen speelveld geduwd. De kunstenaar werd in de kunstwereld vervangen door de veiliger geachte pseudokunstenaar. Door het idee van l’art pour l’art kon iedere pseudokunstenaar zich als kunstenaar voordoen en kon alles wat als kunst bestempeld werd kunst worden. Het werk van de kunstenaar werd daardoor niet alleen bedolven onder imitatiekunst; het werd ook als evenwaardig bestempeld. Dat is in feite op en top postmodernisme; de ontwaarding aller waarden in werking. Wie kan er vandaag nog het originele en authentieke onderscheiden van de namaak …als men het originele en authentieke al kan vinden onder het puin? Als kunstenaar was het mijn reactie om de postmoderne redenering te concluderen. Op een gegeven moment is de cultuur dood; wat nu? De postmodernen lijken echter geen conclusie te kunnen trekken uit hun eigen redenering. In hun angst dat het lijk terug tot leven zal worden gewekt lijken de postmodernen geen afscheid te kunnen nemen van het blijven doden van het reeds dode lijk. Het lijkt mij echter logischer om vanaf nul terug te herbeginnen door opnieuw alles te herdefiniëren en te herwaarderen; in overeenstemming met de wetten van de natuur, die de cultuur heeft verwaarloosd. Het lijkt mij echter zo dat de postmodernen de baby liever met het badwater zien verdwijnen. Maar wat had ik anders verwacht van zelfmoordenaars? Dat zij opnieuw willen beginnen? Of dat zij er een einde aan willen maken? Wel, maak er dan een einde aan, maar val er de primordialisten niet mee lastig. Geef ruimte aan de mensen die de lente aan ons volk willen teruggeven.
KUNST
We kunnen stellen dat kunst alleen kunst kan zijn als het origineel en authentiek is. Originaliteit wil in dit geval zeggen dat het kunstwerk verkennende aspecten in zich draagt of droeg in de tijd dat het gemaakt werd. Authenticiteit wil zeggen dat de originaliteit inherent aan het kunstwerk uitgevonden is door de maker van het kunstwerk, de kunstenaar dus. De amateurkunstenaar en pseudokunstenaar, die zich de originaliteit van een kunstenaar toe-eigent en daarvan geen verkennende variaties maakt is niet origineel en niet authentiek, hij maakt dus geen kunst en is geen kunstenaar. Pseudokunstenaars propageren om die reden het einde van de geschiedenis; alleen in dat paradigma kunnen ze zichzelf legitimeren.
Het is de kunstenaar die bepaalt hoeveel intellectuele arbeid hij wil verrichten en hoeveel ambitie hij heeft. Of met andere woorden hoe ver hij in de duisternis van de culturele toekomst wil tasten. Hoe verder hij reikt hoe moeilijker hij het zichzelf maakt. Gaat hij de grenzen van het narratief of het format waarin hij werkt hier en daar een beetje verleggen of gaat hij een heel nieuw narratief en format ontwikkelen? Hoe verder hij de duisternis in trekt hoe moeilijker hij het voor zichzelf ook maakt om zijn visioen leesbaar te communiceren. Uiteindelijk moet het zijn bedoeling zijn dat hij zich nuttig maakt voor de gemeenschap waarin hij leeft. Als zijn kunst niet aanvaard wordt dan is het visioen irrelevant of moet hij terug naar de tekentafel met een nieuw ontwerp. Goede kunst slaagt erin de gemeenschap cultureel naar voren te doen opschuiven; waar het nieuwe gronden vindt en terug kan floreren.
De valkuil ligt hem erin dat de kunstenaar eerst de duisternis in moet gaan om tot goede kunst te komen. Het is pas als hij goede kunst tot stand heeft gebracht en de gemeenschap deze kunst heeft opgenomen dat hij kan bewijzen dat hij al die tijd kunstenaar was. Voor dat bewijs geleverd wordt kan de gemeenschap enkel op de eerlijkheid van de kunstenaar af gaan om hem erkenning te geven. Daarbovenop wil het niet zeggen dat een kunstenaar die zichzelf bewezen heeft de verkenning zal voortzetten, hij kan vanaf dan immers zichzelf imiteren. De toeschouwer heeft enkel toegang tot de voltooide beeldende verkenning. Brengt het kunstwerk de toeschouwer in beroering of is het maar slappe koek? Verschilt het kunstwerk voldoende van andere kunstwerken waarop het gelijkt? Voelt het aan alsof achter het kunstwerk een zoekend kunstenaar schuilgaat of voelt het kunstwerk eerder aan als decoratie? De toeschouwer hoeft niet altijd meteen een duidelijk antwoord te hebben op al deze relevante vragen, maar als zijn indruk intuïtief goed zit, is zijn interesse misschien gewekt om de kunstenaar achter het kunstwerk beter te leren kennen en met zijn wereld kennis te maken. Dan zal snel blijken of het narratief van de kunstenaar diepe meanders kent of alleen bestaat uit verkoopspraatjes.
De beoordeling van actuele kunst zal altijd giswerk blijven. In die zin geef ik eigenlijk terug waarde aan het museum, dat traditioneel pas werken aankoopt en tentoonstelt dat zichzelf al min of meer bewezen heeft. Geven we echter te veel macht aan hedendaagse tentoonstellingsinstellingen dan wordt kunst bewezen dat die status niet verdient, waardoor ook de museums op den duur in het gedrang komen. Het is een moeilijk evenwicht waar geen directe oplossing voor bestaat. De enige echte oplossing is dat we weer naar een samenleving groeien waar het vertrouwen groot is. Maar daarvoor moeten we weer van voren af aan herbeginnen; denk ik. Vooralsnog is het misschien beter om geen subsidies toe te kennen aan jonge kunstenaars. Als de jonge kunstenaar een echte verkenner is dan zal hij wel gemotiveerd genoeg zijn om ook zonder subsidies werk te maken, stopt hij met kunst in die periode dan kunnen we nagenoeg met zekerheid zeggen dat er nooit veel in zat. Het is een manier om het kaf van het koren te scheiden.